De socialistische gids; maandschrift der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij jrg 16, 1931, no 10
DE TRAGEDIE DER VERGISSINGEN
(EEN ANTWOORD AAN J. VAN GELDEREN) DOOR S. DE WOLFF
II.
De Grootte der Productie.
„Begeven wij ons thans naar een volgend door De Wolff gearrangeerd tournooi. De Wolff stelde de vraag, hoe de grootte der productie onder verschillende geconstrueerde voorwaarden theoretisch kan worden bepaald. Overgaande van de maatschappelijke productie (wat Marx noemde de eenvoudige warenproductie) tot de kapitalistische-productiewijze, waarvan de omvang schematisch eveneens zal moeten worden bepaald, voegt De Wolff ten tweede male een uitvoerige polemiek in, thans tegen Clark en van Böhm-Bawerk wegens de door hen gegeven merkwaardige oplossingen van dit probleem. De hieraan bestede 18 bladzijden behooren tot de minst geslaagde van het boek; ze raken zelfs het betoog van de bestreden auteurs niet."
Aldus Van Gelderen op blz. 569. Laat mij met den laatsten zin van het hierboven geciteerde beginnen. Helaas moet mij de opmerking van het hart, dat Van Gelderen's verhaal, evenals dat andere Indische, dat van Saïdja en Adinda, zéér eentonig is. In plaats van „Saïdja's vader had een buffel" treedt hier voortdurend bij elk besproken ge* deelte de opmerking op, dat deze passage in mijn boek nu wel als „de minst geslaagde", of hoe het anders in nog sterkere toonaarden mag heeten, moet worden beschouwd, zoodat, evenals zeven Grieksche steden om de eer streden de geboortplaats van Homerus te zijn geweest, nagenoeg elke bladzijde van Het Economisch Getij volgens Van Gelderen's critiek de eer voor zich kan opeischen „de minst geslaagde" genoemd te worden.
En waarom? Wel, „ze raken zelfs het betoog van de bestreden auteurs niet" en „de lezer dient zich af te vragen, of de Wolff in zijn haast, om de ontoereikendheid der leerstellingen der subjectivisten aan te toonen van hun gedachtegang en bewijsvoering ook maar iets begrepen heeft".
Nu dient de zoo „critische lezer", vóór hij zich iets afvraagt, één ding te weten en wel, dat ik tegen Böhm Bawerk en Clark de economie niet alleen als „praatwetenschap" in het geding breng, maar tegen hen ook het objectieve wapen der mathesis aanwend. Wat weet Van Gel* deren tegen deze wiskundige argumenten aan te voeren, welke in mijn boek in den tekst en in het Mathematisch Aanhangsel te vinden zijn? Niets!
Wat ware eenvoudiger geweest, dan dat Van Gelderen mij op mathematische wijze de fouten hierin had aangewezen? Zijn betoog zou aan bewijskracht en zakelijkheid heel wat hebben gewonnen. Echter niets van dat alles.
751