Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TRAGEDIE DER VERGISSINGEN

{EEN ANTWOORD AAN J. VAN GELDEREN) DOOR S. DE WOLFF

' III

De grootte der productie. (Vervolg)

OP blz. 656 tot 659 van Van Gelderen's critiek vinden wij een beschouwing over het achtste en een gedeelte van het negende hoofdstuk van mijn boek, waarvan ik bij eerste lezing geen woord begreep. Van Gelderen, zoo dacht ik eerst, had dit, wat mij betreft, even goed in het Maleisch kunnen schrijven, dan had ik er evenveel van verstaan. Totdat de noot 9 op blz. 657 voor mij, van een enkele noot, in een nieuwe vreugdevolle negende symphonie ver* anderde en voor mij in de Egyptische duisternis de „Götterhinken" deed overspringen. Deze noot luidt:

„In de uitwerking van het voorbeeld op blz. 330 moet een fout schuilen. Bij narekenen vond ik, dat het evenwicht niet ligt bij 51 uur brood- en li uur vischproductie, doch bij 7 uur brood- en 3J uur vischproductie. In beide soorten van arbeid bestaat dan evenwicht: bij brood zijn lust- en onlustintensiteiten beide 7, bij visch 13.3.

Het totaal lustsaldo bedraagt dan 82^ en in de Wolffs oplossing slechts 71."

„In de uitwerking van het voorbeeld op blz. 330 moet een fout schuilen!" Dat de fout bij Van Gelderen ligt, het komt in de verste verte niet bij hem op. Stel je voor!

Welnu, deze noot bewijst, dat Van Gelderen van het geheele be* toog in het achtste en in een gedeelte van het negende hoofdstuk geen woord gesnapt heeft, ondanks mijn uitgebreide „litteraire" uit* eenzetting op blz. 330 en 331 van Het Economisch Getij en de voor ieder, die slechts de beginselen der Algebra kent, zoo eenvoudige uiteenzetting der onlustformule op blz. 445 en 446 in het Mathema; tisch Aanhangsel.

Van Gelderen schrijft op blz. 659:

„Het essentieele bij de verklaring van de productie van Robinson was, dat de onlustintensiteiten alleen dan bepalend werkten op de grootte der productie, indien en voor zoover ze bij de verschillende arbeidsoorten niet gelijk waren." (cursiveering van Van Gelderen).

Bij de familie Pieterse zou men gezegd hebben: „waar haalt de jongen het vandaan?"

Mijn betoog was immers dat, onverschillig of de onlustvergelijkin* gen gelijk of ongelijk zijn voor de verschillende arbeidssoorten, steeds door lust' en onlustvergelijkingen te zamen de grootte der productie bepaald wordt. 836

Sluiten