is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederland jrg 80, 1928, no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MET EEN MUILEZEL DOOR DE DAUPHINE

ten bedde uitgeleid over knallende traptreden, voorgelicht door koperen kandelaren, die door eenige honderden jaren poetsen zoo helsch glommen, dat je slaperige oogen er pijn van deden. Toen we onze oogen voldoende hadden uitgewreven, zagen we met schrik, dat de toren met zijn kopergericheld dak rood vlamde in de morgenzon, en nog rooder waren de buiken van een school venijnig gevinde wolken, die dreigend kwamen aanzwemmen boven de gletschers. Aan den voet van de Moraine keerden we ons om, en toren en dorp waren verdwenen. Voor we onze verbaasde neuzen weer voorwaarts gewend hadden, krompen de lorken aan weerszijden van het pad ineen onder den val van donder en bliksem. Wij stelden ons in onze oliejassen verdekt op onder een lork met geweldige bakkebaarden, die er vrij waterproof uitzag, en lazen een uur lang in dit buitenprieel, omhangen met gordijnen van regen, in „Jeanne DArc" van Joseph Delteil. Toen de Maagd dood was, zuchten we en gingen verder, stappend van steen op steen door de waggelende moraine, tusschen den drievoudigen donder van onweer, tuimelende gletschertorens, en steenval. Doode stammen dreven in kleine cirkelronde blauwgroen-paars-grijze meren; achter de wiebelende naald van het kompas kropen wij langzaam omhoog door den nevel, waar niet tegen te vechten valt, een vijand, die men niet kan wegduwen' met den durf der handen; een in spottend zwijgen verzonken leger van in duizend gedaanten voortgaande geesten, die de zon den nek hebben omgedraaid en wanhoopswoorden langs uw ooren zuchten.

Na uren van sneeuwgedwarrel, hagelgesis en regengeruisch: een woning, een krot, een keet, een met teerlikken bijeengehouden plankenbende, die door alle schoonheids- en gezondheidscommissie's met drieduizend banbliksems in de asch gelegd zou worden, wanneer ze ook hier hun aesthetische hygiëneneuzen heen konden dragen, maar daar zijn ze gelukkig te slap van kuit voor. Maar toen de zwierende mist ons dit paleis onthulde, kreten we van verrukking: de schoorsteen rookte, de kleine vensters gaven roode flakkerseinen, er brandde vuur! Met één been in een modderplas