is toegevoegd aan je favorieten.

De Vlaamsche gids; algemeen tweemaandelijksch tijdschrift, jrg 12, 1923-1924, 1923

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gewichtige plaats in de inspiratie van het literaire Europa. Die plaats is niet van gelijken rang in de letterkunde van elk land; moest men ze volgens belangrijkheid rangschikken, dan kwame Duitschland aan de spits te staan; Engeland zou volgen en dan de Latijnsche landen.» De opstellen, gewijd aan de Duitsche Romantiek in hare betrekkingen tot de muziek, zijn hizonder interessant. Hoe aangenaam doet het aan een Franschman eindelijk eens absoluut juist te hooren oordeelen over een E. T. A. Hoffmann bijv. Hier wordt ten minste niet geprobeerd de diverse begaafdheden van den bij uitstek origineelen kunstenaar te scheiden en elk harer afzonderlijk te belichten. De geniale schepper van Kap>ellmeister Kreisler, van Kater Murr, de geïnspireerde componist van Undine, de scherpzinnige, fijn besnaarde muziekcriticus, de humor-rijke caricaturist: ’t zijn even zooveel gelijkwaardige uitingen van één zelfden fantastischen geest. Met Otto Ludwig en Wackenroder heiden méér woord- dan toondichter komen we aan die kunstenaars welker letterkundige werken hunne muzikale prestaties hebben doen vergeten, ’t Was ook het geval met Nietzsche en met zijn vriend {— door A. Coeuroy niet vermeld —) Peter Gast.

In Engeland, dat vrij algemeen voor een onmuzikaal land doorgaat, heeft de muziek nochtans geen kleine rol gespeeld in de ontwikkeling der kunst. Waren de prae-raphaëlieten vooral visueelen; Oscar Wilde, muzikaal een poseur die, naar B. Shaw zegt, geen twee tonen onderscheiden kon; Moore, een verstokte Wagneriaan; voortreffelijke kenners daarentegen waren Sam, Butler, Arnold Bennett en Synge, die ook een virtuoos van heteekenis is. Niet te vergeten: Bernard Shaw, die jaren lang muzikale critiek geleverd heeft welke én voor vaklui én voor niet muzikaal ontwikkelde lezers genietbaar is. Boeiende hoofdstukken zijn: Flaubert musicien en VEsthétique musicale du comte de Gobineau, dit laatste met het oog op Gohineau’s vriendschappelijke betrekkingen tot R. Wagner.

De biographie van Franz Schubert is arm aan uiterlijke gebeurtenissen; zijn levenswerk is echter zooveel te interessanter. Verbazend alvast is de uitgebreidheid zijner muzikale productie, als men bedenkt dat deze toondichter op één en dertigjarigen ouderdom overleed en dit, na een strijd om het bestaan die hizonder bitter en ontmoedigend was. De meestbekende levensbeschrijvingen van Schubert zijn die van Reiszmann, Niggli en Heuberger. Th. Gérold voegt er thans een aan toe. Zijn werk heeft de groote verdienste vlot geschreven te zijn. Het is verdeeld in drie hoofdstukken: Schubert’s leven, zijne werken en Schubert als mensch en als kunstenaar. Een