is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1952, no. 1-100, 01-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Bij het geven van een advies als in het vorige lid bedoeld stelt de Bank een termijn binnen welke aan het advies moet zijn voldaan, dan wel met redenen omkleed antwoord moet zijn gegeven, waarom aan het advies niet is voldaan. Indien binnen deze termijn niet aan het advies wordt voldaan, dan wel geen haar bevredigend antwoord wordt ontvangen, kan de Bank, na de geregistreerde credietinstelling in de gelegenheid te hebben gesteld gehoord te worden, overgaan tot publicatie van het advies.

3. Bij deze publicatie wordt, wanneer de geregistreerde credietinstelling, aan welke het advies werd gegeven, zulks verlangt, tevens de correspondentie openbaar gemaakt, die naar aanleiding van het advies tussen de Bank en de geregistreerde credietinstelling is gevoerd.

Artikel 18

1. Van een besluit tot publicatie, als in artikel 17 bedoeld, doet de Bank tenminste twintig dagen, voordat tot publicatie wordt overgegaan, bij aangetekende brief mededeling aan de desbetreffende geregistreerde credietinstelling.

2. Binnen veertien dagen na de verzending dier mededeling kan een geregistreerde credietinstelling tot welke de mededeling is gericht tegen zodanig besluit bij Ons in beroep komen overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk V. Door het instellen van beroep wordt de publicatie opgeschort.

HOOFDSTUK IV Bepalingen van bijzondere aard

Artikel 19

1. Wij behouden Ons voor, de Bank gehoord, nadere regelen te stellen betrekking hebbende op:

a. het opleggen van de verplichting aan credietinstèllingen, die zijn ingeschreven in de tweede, derde of vierde afdeling van het register, om aangesloten te zijn bij of zich onder toezicht te stellen van een door Onze Minister van Financiën aan te wijzen organisatie op het gebied, waarop de in het desbetreffende register ingeschreven credietinstellingen werkzaam zijn;

b. het opleggen van de verplichting aan leden van een organisatie als bedoeld onder a ) op het gebied van het spaarbankwezen om de naam „spaarbank” te voeren;

c. het verbieden aan anderen dan credietinstellingen, ingeschreven in de derde afdeling van het register, van het bezigen van het woord „sparen” of vormen daarvan in hun benaming of in de benaming van door hen uitgegeven bewijzen van inleg.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, sub c, zal niet van toepassing zijn op de Staat der Nederlanden, de Rijkspostspaarbank en een krachtens het eerste lid, onder a , aangewezen organisatie op het gebied van het spaarbankwezen, noch ook op de landbouw-