is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1952, no. 301-400, 01-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hem verleende ontslag krachtens artikel 1, sub b, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, zou worden gewijzigd in ontslag krachtens artikel 1, sub a, van dat besluit, met toekenning van zogenaamd lang wachtgeld, na verloop van tijd geen inkomsten meer zou hebben, op een misverstand moet berusten. Daarbij werd dezerzijds opgemerkt, dat appellant bij toekenning van lang wachtgeld in het genot zal blijven van een wachtgelduitkering tot aan de datum, waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (22 Maart 1961) en dat er mitsdien geen sprake van is, dat hij, ook bij de door mij voorgestelde wijziging, gedurende bepaalde tijd geen inkomsten zou hebben.

Wijlen Minister Van Maarseveen deelde de Afdeling voor de Geschillen van Bestuur mede, dat hij het zeer op prijs zou stellen te vernemen, of zij in het vorenstaande aanleiding zag, haar standpunt en haar advies terzake nader te overwegen.

De Afdeling voor de Geschillen van Bestuur berichtte in haar nader rapport het volgende:

„De Afdeling erkent, dat aan de door de Minister aangehaalde opmerking een misverstand ten grondslag heeft gelegen. Evenwel kan zij in de omstandigheid, dat het door ontslagverlening krachtens artikel 1, sub a, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. No. F 221, mogelijk zou zijn, de appellant een wachtgeld te verlenen tot aan de datum, waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, geen aanleiding vinden, wijziging te brengen in haar standpunt, zoals dit uiteengezet is in haar aan Uwe Majesteit gericht schrijven van 18 Juli 1951, No. 179/1/196. In dit schrijven komt de Afdeling, na een uitvoerige uiteenzetting van haar zienswijze, tot de conclusie, dat de verzetsactiviteit van de appellant, waarbij hij zijn leven heeft gewaagd, hem, naar het oordeel der Afdeling, stempelt „tot een goed vaderlander, wiens toetreden in het begin der bezetting als sympathiserend lid der N.S.B. slechts als een op zichzelf staande, overigens betreurenswaardige, misstap is te beschouwen, welke gelet °P hetgeen daartegenover staat, niet voldoende grond voor ontslag kan opleveren.”

Na vermeld te hebben, dat de Minister bereid is te overwegen, het ontslag in dier voege te wijzigen, dat aan de appellant z.g. lang wachtgeld toegekend kan worden, merkt de Afdeling in haar evenvermeld schrijven nogmaals op, dat zij haar standpunt moet handhaven, ..dat ontslag in dit geval niet voldoende gerechtvaardigd is.”.

De Afdeling heeft er derhalve geen twijfel over laten bestaan, dat z 'j ontslag, in welke vorm ook, in dit geval niet op zijn plaats acht.

De overweging, dat de appellant, ook indien ontslag met lang Wachtgeld verleend zou worden, na verloop van tijd geen inkomsten H) eer zou hebben en zijn gezin, dat zich tijdens de oorlog voortreffe'jk heeft gedragen, aan de armoede zou worden prijs gegeven, heeft °P het benalen van het standpunt der Afdeling geenszins een beslissende invloed gehad.