Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 240) zou zijn gepensionneerd, heeft na zijn ontslag aanspraak op een uitkering ten bedrage en op de voet als voor zijn pensioen zou gelden, indien hij op de dag, waarop hem ontslag werd verleend, gepensionneerd zou zijn geworden. Maakt hij in dit geval gebruik van de hem bij genoemde wet gegeven gelegenheid om het behoud van uitzicht op pensioen voor zijn na te laten betrekkingen te verzekeren, dan wordt te zijnen behoeve voorzien in de daarvoor vastgestelde bijdrage aan het algemeen burgerlijk pensioenfonds.

2. De op grond van het vorige lid toegekende uitkering vervalt zodra en voor zover door de directeur, leraar of beambte na zijn ontslag alsnog pensioen, op grond van de bepalingen van de Pensioenwet 1922 (Stb. No. 240), wordt genoten.

3. De directeur, leraar of beambte, aan wie een uitkering, bedoeld in het eerste lid, is toegekend, is verplicht de reserve, welke hij bij zijn pensionnering overeenkomstig artikel 12 van het Koninklijk besluit van 22 December 1922 (Stb. No. 684) ontvangt, terug te betalen aan het lichaam, dat in de bijdrage aan het algemeen burgerlijk pensioenfonds, bedoeld in het eerste lid, heeft voorzien.

4. Hij is voorts verplicht zich ten aanzien van zijn lichamelijke of geestelijke geschiktheid om arbeid te verrichten te onderwerpen aan een controle op de wijze, als door het bevoegd gezag te bepalen, en desverlangd bij de Pensioenraad een hernieuwd onderzoek naar zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid aan te vragen, hetwelk tot toekenning van een pensioen op grond van de Pensioenwet 1922 (Stb. No. 240) zou kunnen leiden.

5. Bij niet-nakoming van de verplichting, in het vorige lid genoemd, vervalt de aanspraak op de uitkering in dit artikel bedoeld.

Artikel 26

Voor de toepassing van artikel 21 wordt ten aanzien van de directeur, leraar of beambte, die na een ziekte of een ongeval de dienst heeft hervat en binnen 30 kalenderdagen daarna ten gevolge van dezelfde ziekte of hetzelfde ongeval wederom verhinderd wordt zijn dienst te verrichten, de tweede verhindering als een voortzetting van de eerste aangemerkt.

Artikel 27

Onverminderd het bepaalde in artikel 22, kan de directeur, leraar of beambte, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn dienst te verrichten, op last van het bevoegd gezag of van Onze Minister geneeskundig worden onderzocht ter beantwoording van de vraag of de verhindering om dienst te verrichten al dan niet bestaat, dan wel in het belang van een goede behandeling of genezing nodig is.

Artikel 28

1. Indien een directeur, leraar of beambte, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn dienst te verrichten, bezwaar heeft, hetzij

Sluiten