Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overwegende, dat bovengenoemde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken steunt op de overweging, dat, mede naar het oordeel van de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Zuiveringsbesluit 1945, de houding van J. Hooy, secretaris en ambtenaar van de burgerlijke stand der gemeente Krommenie, in verband met de bezetting zodanig is geweest, dat hij in zijn betrekking niet kan worden gehandhaafd;

dat de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Zuiveringsbesluit 1945, geadviseerd had aan J. Hooy, secretaris der gemeente Krommenie, ontslag te verlenen, als bedoeld in artikel 1, sub a, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, met toekenning van wachtgeld, daarbij opmerkende, dat zij op grond van de overgelegde stukken als vaststaande aanneemt, dat blijkens de verklaringen van verschillende ter zake gehoorde personen de heer Hooy noch als secretaris, noch als waarnemend Burgemeester, enige medewerking heeft verleend aan het verzet tegen de bezettende macht;

dat hij daarentegen, onder andere door het overhandigen aan de N.S.B.-Burgemeester van een tot sabotage aanzettende brief reden heeft gegeven tot het wantrouwen, dat verschillende ambtenaren jegens hem koesterden; dat overigens de heer Hooy niets valt te verwijten; dat zij van oordeel is, dat deze feiten blijk geven van een houding van betrokkene in verband met de bezetting, waardoor hij in zijn betrekking niet kan worden gehandhaafd;

dat J. Hooy tegen bovengenoemd besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken bij Ons in beroep is gekomen, aanvoerende, dat in de bestreden beschikking stond vermeld, dat het ontslag werd gegeven overeenkomstig het advies van de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Zuiveringsbesluit 1945; dat hij bij schrijven van 17 December 1951 aan de Minister van Binnenlandse Zaken heeft gevraagd, wat vorenbedoelde Commissie van Advies omtrent hem had geadviseerd; dat de Minister van Binnenlandse Zaken bij brief van 27 December 1951, No. Z 18796, afdeling Binnenlands Bestuur, bureau Zuivering, heeft geantwoord, dat de Commissie van Advies heeft geadviseerd hem, appellant, te ontslaan met toepassing van artikel 1, sub a, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, uit zijn functie van gemeente-secretaris van Krommenie, met toekenning van wachtgeld; dat hieruit valt te concluderen, dat het advies van de Commissie van Advies niet noemt ontslag als ambtenaar van de burgerlijke stand, zodat de ontslagbeschikking te dezen aanzien afwijkt van het advies; dat de vorenvermelde brief van 27 December 1951 eerst op 4 Januari 1952 door hem, appellant, werd ontvangen, zodat hij ook eerst op deze datum van vorenbedoelde afwijking kennis heeft kunnen nemen; dat in geval van een afwijking als vorenbedoeld, hij, appellant, gerechtigd is tegen de gegeven ontslag-besohikking beroep in te stellen, hetgeen, gezien de omstandigheid, dat hij van de afwijking niet eerder mededeling

Sluiten