Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kreeg, eerst thans kan geschieden; dat hij, appellant, die uiteraard nog geen kennis van de inhoud van zijn dossier kon nemen, meent, dat hem ten onrechte eervol ontslag is gegeven, en meent, dat zijn houding in verband met de bezetting zodanig is geweest, dat hij wel dn zijn betrekking had behoren te worden gehandhaafd; dat mitsdien aan hem, appellant, bij meergemelde beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 Juli 1946 ten onrechte ongevraagd eervol ontslag is gegeven als vorenomschreven;

Overwegende ten aanzien van de ontvankelijkheid;

dat, terwijl de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, lid 4, van het Zuiveringsbesluit 1945, adviseerde J. Hooy krachtens het bepaalde in artikel 1, onder a, van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, als secretaris der gemeente Krommenie te ontslaan, de Minister van Binnenlandse Zaken aan Hooy krachtens ovengenoemd wetsartikel uit zijn functies van gemeente-secretaris en ambtenaar van de burgerlijke stand ontslag heeft verleend;

dat deze afwijking van het advies van de Commissie van Advies aan de appellant eerst bij schrijven van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 27 December 1951 is bekend gemaakt;

dat onder deze omstandigheden de appellant, wiens beroepschrift is ingekomen op 8 Januari 1952, dus binnen de voor dit beroep geldende termijn van 21 dagen, geacht moet worden zijn beroep tijdig te hebben ingediend, zodat hij in zijn beroep ontvankelijk is;

Overwegende ten aanzien van de hoofdzaak:

dat op grond van de overgelegde stukken moet worden aangenomen, dat de appellant tijdens de bezetting van goede Nederlandse gezindheid is geweest;

dat hij weliswaar weinig daadwerkelijke steun aan de illegaliteit heeft verleend, doch dat — daargelaten nog dat dit op zichzelf geen voldoende grond zou kunnen opleveren voor toepassing van het Zuiveringsbesluit 1945 of van het Koninklijk Besluit van 10 October 1945, Stb. F 221 — de minder goede verhoudingen ter gemeentesecretarie hiertoe wellicht hebben medegewerkt;

dat aangenomen kan worden, dat met de door de meergenoemde Commissie van Advies vermelde overhandiging aan de N.S.B.-Burgemeester van een brief, aanzettende tot sabotage van de uitreiking van de tweede distributiestamkaarten, beoogd werd de mogelijkheid te scheppen, dat deze uitreiking, in overleg met enige niet nationaalsocialistische Burgemeesters van naburige gemeenten, door vertrouwde ambtenaren zou geschieden;

dat bovendien deze handeling geen nadelige gevolgen heeft gehad;

dat, gezien het vorenstaande, het bestreden besluit niet kan worden gehandhaafd;

Sluiten