Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit artikel toch verleent het recht van beroep slechts op zeer beperkte schaal, nl. alleen in die gevallen, waarin de genomen maatregel afwijkt van het advies der Commissie, bedoeld in artikel 5, lid 4, van laatstgenoemd besluit. Met de hierin uitdrukkelijk neergelegde beperking van het beroep is de opvatting der Afdeling, die de beroepsmogelijkheid in zo ruim mogelijke mate aanwezig wil zien, naar mijn mening niet te rijmen. Kortheidshalve moge ik Uwe Majesteit zeer eerbiedig verwijzen naar het betoog, vervat in mijn aan Uwe Majesteit gerichte brief van 18 Juni 1952, No. Z 19050, afdeling Binnenlands Bestuur (bureau Zuivering), inzake het beroep-Luinge.

Evenmin als met het hiervoor bedoelde uitgangspunt van de Afdeling kan ik mij verenigen met haar stelling, dat het ontslag van appellant als secretaris en als ambtenaar van de burgerlijke stand als een eenheid is te beschouwen en dat derhalve, nu de Commissie alleen over het ontslag van appellant als secretaris heeft geadviseerd, het als eenheid beschouwde ontslag in volle omvang appellabel zou zijn. De omstandigheid, dat het ontslag aan appellant als secretaris en als ambtenaar van de burgerlijke stand in één besluit is opgenomen, kan niet tot de conclusie leiden, dat de beide maatregelen als een eenheid moeten worden gezien. Aan de vorm zou alsdan een grotere betekenis worden toegekend dan met het wezen der zaak in overeenstemming is. Veelvuldig zijn de Koninklijke Besluiten die een aantal materieel zelfstandige, soms zelfs zeer uiteenlopende beschikkingen bevatten.

Voorts zij er op gewezen, dat benoeming in, c.q. ontslag uit een der genoemde functies niet noodzakelijkerwijs benoeming, respectievelijk ontslag ten aanzien van de andere behoeft mede te brengen. Deze functies moeten — ook al komt de combinatie secretarisambtenaar van de burgerlijke stand vaak voor — in beginsel als afzonderlijke los van elkaar staande betrekkingen worden beschouwd.

Een verband tussen het ontslag uit de genoemde funoties ligt ook in het besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, waarop de bestreden beschikking ten aanzien van appellant is gegrond — anders dan in het Zuiveringsbesluit 1945 (artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, lid 6) — niet besloten. De omstandigheid, dat eerstgenoemd besluit, hetwelk versoheidene bepalingen van het Zuiveringsbesluit 1945 van overeenkomstige toepassing verklaart, juist niet verwijst naar de in de vorige zin vermelde bepaling van laatstgenoemd besluit, vormt naar mijn gevoelen een reden te meer om het ontslag van appellant uit zijn genoemde betrekkingen als twee afzonderlijke maatregelen aan te merken.

Het ontslag van appellant als secretaris is gegeven in overeenstemming met het advies van de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, lid 4, van het Zuiveringsbesluit 1945. In zijn beroep tegen dit ontslag kan appellant derhalve niet worden ontvangen.

Het terzake van appellants ontslag ingewonnen advies spreekt niet van de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand. De gevolgen

Sluiten