Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na beëindiging der uitkering van ziekengeld terzake van het vroeger ziektegeval wegens herstel.

4. Bij zwangerschap van een verzekerde wordt afgescheiden van de vraag of ongeschiktheid tot werken bestaat, indien zij overlegt een verklaring van een geneeskundige of van een vroedvrouw, inhoudende dat haar zwangerschap is gevorderd tot de in de verklaring aangegeven week en dat derhalve haar bevalling waarschijnlijk is binnen een tijdsverloop van veertig weken, verminderd met het getal der in de verklaring aangegeven weken, ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde te rekenen van de eerste dag der laatste zes weken van bovenbedoeld tijdsverloop.

5. Bij bevalling van een verzekerde wordt ziekengeld uitgekeerd ter hoogte van het dagloon van de verzekerde zolang de ongeschiktheid tot werken uit die oorzaak duurt en gedurende ten hoogste twee en vijftig weken, doch in elk geval gedurende ten minste zes weken na de dag der bevalling.

6. Het bepaalde in artikel 30 blijft ten aanzien van de ongeschiktheid, bedoeld in de twee voorgaande leden, buiten toepassing.

7. Aan een verzekerde, die in het jaar, voorafgaande aan haar bevalling, op ten minste 156 werkdagen verplicht verzekerd is geweest, wordt bij haar bevalling een kraamgeld van 55 gulden verstrekt. Voor de berekening van de in de vorige volzin bedoelde 156 werkdagen wordt een verzekerde geacht verplicht verzekerd te zijn geweest op werkdagen, waarop zij:

a. in verband met het bepaalde bij de artikelen 20 of 21 of de artikelen la en 1 b van het Koninklijk besluit van 28 Januari 1931, Stb. 24, niet verplicht verzekerd is geweest, of

b. tengevolge van ziekte of ongeval, niet heeft gewerkt, of

c. in het buitenland in loondienst heeft gewerkt, mits haar overeengekomen vast loon in geld, in loondienst verdiend, niet meer bedroeg dan 4925 gulden per jaar; daarbij wordt het over gedeelten van een jaar overeengekomen vast loon in geld tot jaarloon herleid; indien de overeenkomst is gesloten voor één of meer weken, wordt een jaar berekend op 50 weken.

8. Aan de echtgenote van een verzekerde, die in het jaar, voorafgaande aan de bevalling zijner echtgenote, op ten minste 156 werkdagen verplicht verzekerd is geweest, wordt bij haar bevalling een kraamgeld van 55 gulden verstrekt, tenzij zij daarop aanspraak heeft krachtens het bepaalde in het zevende lid van dit artikel of het achtste lid van artikel 46. Voor de berekening van de in de vorige volzin bedoelde 156 werkdagen vindt het bepaalde in de tweede volzin van het zevende lid van dit artikel overeenkomstige toepassing.

9. Aan de dochters, stief- en pleegdochters van een verzekerde, die gedurende de laatste drie maanden vóór haar bevalling met de verzekerde in gezinsverband hebben geleefd, wordt bij haar bevalling een kraamgeld van 55 gulden verstrekt, indien:

Sluiten