Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c. gerekend van 1 November 1945 aan A. Dommerholt voornoemd, ongevraagd ontslag heeft verleend als bedoeld in artikel 1, sub b. van het Koninklijk besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, uit zijn functie van ambtenaar van Politie aangesteld in de rang van Onderluitenant der Staatspolitie, ingedeeld bij het Politie-OpleidingsBataljon, ter standplaats Deventer;

dat deze beschikking steunt op de overwegingen, dat tot hel geven van de onder a genoemde beschikking van 17 December 1946 werd overgegaan, omdat aan de hand van de ingekomen ambtsberichten werd aangenomen, dat betrokkene in de tijd der Duitse bezetting in Nederland in zodanig ernstige mate was tekort geschoten in het betrachten van de juiste houding in verband met de bezetting, dat hij niet in zijn betrekking kon worden gehandhaafd; dat uit nader verkregen ambtsberichten is komen vast te staan, dat er in casu niet voldoende termen aanwezig zijn voor ontslagverlening ingevolge het Zuiveringsbesluit 1945, doch dat de houding van betrokkene in verband met de bezetting niettemin zodanig is geweest, dat hij niet in de politiedienst kan worden gehandhaafd; dat er derhalve aanleiding bestaat het aan betrokkene verleende ontslag op grond van het Zuiveringsbesluit 1945 in te trekken en te vervangen door een ongevraagd ontslag ingevolge artikel 1, sub b, van het Koninklijk besluit van 10 October 1945, Stb. F 221;

dat de Commissie van Advies Zuiveringsbesluit 1945 op 21 Juni 1948 aan de Minister van justitie had geadviseerd, voor zoveel nodig onder intrekking van haar eerder gegeven advies inzake A. Dommerholt, voornoemd, aan deze ingevolge artikel 1, sub b, van het Koninklijk besluit van 10 October 1945, Stb. F 221, ontslag te verlenen zonder toekenning van wachtgeld, daarbij overwegende, dat de Commissie zich kan verenigen met de zienswijze van de Minister, neergelegd in diens schrijven van 25 Mei 1948, no. 4535, Afdeling Politie/ Zuivering;

dat A. Dommerholt van de voormelde beschikking van 27 October 1948 bij Ons in beroep is gekomen, aanvoerende, dat in gemelde beschikking stond vermeld, dat het ontslag werd gegeven overeenkomstig het advies van de Commissie van Advies, bedoeld in artikel 5, lid 4, van het Zuiveringsbesluit 1945; dat appellant bij schrijven van 13 October 1951 aan de Minister van Justitie heeft gevraagd, of vorenbedoelde Commissie van Advies had geadviseerd hem met ingang van 1 November 1945 te ontslaan; dat de Minister van Justitie bij brief van 6 November 1951, no. 4535, Afdeling Politie/Zuivering, heeft geantwoord, dat de Commissie van Advies heeft geadviseerd verzoeker te ontslaan met toepassing van artikel 1, sub b, van het Koninklijk besluit van 10 October 1945. Stb. F 221, zonder de datum van ingang van het ontslag in haar advies te betrekken; dat hieruit valt te concluderen, dat het advies van de Commissie van Advies niet

Sluiten