Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. wetskennis:

kennis van de wetten en regelingen, welke van belang zijn voor het grafische vak;

B. practijk:

1. maken van beelddragers:

a. het aan de hand van ontwerpen of gedrukte voorbeelden kunnen aangeven van de in aanmerking komende werkmethode, in het bijzonder in verband met de aard en omvang van een werkobject, alsmede het kunnen bepalen van het aantal kleuren van bedoelde ontwerpen of voorbeelden; b. het bij benadering kunnen vaststellen van de voor de vervaardiging van een beelddrager benodigde tijd; c. het kunnen maken van indelingen; d. het kunnen beoordelen van gemaakte werkstukken op hun doelmatigheid;

2. drukken:

a. het kunnen beoordelen van gemaakte werkstukken op hun kwaliteit; b. het kunnen beoordelen van de mogelijkheden, welke een bestaand machinepark biedt; c. het kunnen geven van aanwijzingen bij drukmoeilijkheden en kleine machinestoringen;

3. af werken:

a. het kunnen aangeven van de voor het afwerken van drukwerk te volgen werkmethode; b. het kunnen beoordelen van de uitvoering van het afgewerkte drukwerk;

4. papierkennis:

a. het kunnen beoordelen van de bruikbaarheid van verschillende papiersoorten in verband met te stellen eisen; b. het kunnen vaststellen van de soort en de looprichting van het papier; c. het bij benadering kunnen schatten van het gramgewicht;

5. calculeren en kostprijsberekenen:

a. het kunnen maken van dagelijks voorkomende kostprijsberekeningen aan de hand van een daartoe verstrekt calculatieschema; b. het kunnen inrichten van een kostprijsadministratie voor een lithografisch bedrijf; c. het kunnen berekenen van de bezetting en de rentabiliteit van een lithografisch bedrijf met een gegeven omzet;

6. grafische procédé’s:

het kunnen beoordelen volgens welk procédé een bepaald werkstuk is vervaardigd;

Sluiten