Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarmee de spanning in het luchtvat voldoende te kunnen opvoeren, of van een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde aanzetinrichting. De lengte van de leiding tussen de cilinderkop en het luchtvat mag niet kleiner zijn dan 3 meter.

2. Aan boord van schepen, waar de voortstuwingsmotoren zijn voorzien van een luchtcompressor of een inrichting aan de kop van één der cilinders als bedoeld in lid 1, moet bovendien een door een hulpmotor gedreven hulpcompressor aanwezig zijn. ,

3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde geldt, dat:

(ö) bij toepassing van motoren met een vermogen van 150 rempaardekrachten of minder de hulpcompressor met de hand of de voet mag worden gedreven, indien op deze wijze in 20 minuten een voldoende hoeveelheid lucht op de benodigde spanning kan worden gebracht;

(/>) aan boord van zeilschepen met hulpmotorvermogen en van vissersvaartuigen, beide met motoren van een vermogen van niet meer dan 80 rempaardekrachten, met een reserve-fles, gevuld met samengeperste lucht of koolzuur, kan worden volstaan.

4. Mechanisch bewogen luchtcompressoren moeten van veiligheidskleppen zijn voorzien. In de persleiding moet bij elke compressor een terugslagklep zijn aangebracht.

Artikel 8

1. Knalpotten en uitlaatgassenleidingen voor de afgewerkte gassen Knalpotten moeten goed beschermd en bekleed zijn.

2. Uitlaatgassenleidingen moeten op voldoende hoogte boven het dek uitmonden, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedkeuring heeft verleend aan een uitvoering, waarbij zij benedendeks uitmonden. De uitlaatpijpen mogen niet door verblijven zijn geleid.

Artikel 9

1. Motoren, welke door middel van lucht worden aangezet, moe- VeiUgheidsten voorzien zijn van een veiligheidsklep op de deksels van de motor- kleppen cilinders en op de aanzetluchtleiding van de motor.

2. De in het vorige lid genoemde veiligheidskleppen moeten zodanig zijn geplaatst of beschermd, dat bij het openen van deze kleppen geen gevaar voor het bedienend personeel kan ontstaan.

Artikel 10

1. In de motorkamer geplaatste brandstofvoorraadtanks moeten Brandstofvoorv an de hete delen van de motorinstallatie, als gloeikop, knalketel en raadianks u itlaatleiding, zijn verwijderd.

2. Deze tanks moeten van staalplaat met een dikte van ten minste 4 millimeter deugdelijk zijn geconstrueerd.

Sluiten