Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

BESLUIT van 30 Januari 1953 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter aanwijzing van de bij mijnen behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onder a en b, en 12, eerste lid, van de Mijnwet 1903; artikel 1, eerste lid, onder b, van de Arbeidswet 1919; artikel 38, eerste lid, onder f, van de Veiligheidswet 1934 en artikel 38 van de Hinderwet.

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 13 Januari 1953, No 48, Afdeling Arbeidsverhoudingen, en van Onze Minister van Economische Zaken van 21 Januari 1953, No 2062, Directie Mijnwezen;

Gelet op de artikelen 9, eerste lid, onder a en b, en 12, eerste lid, van de Mijnwet 1903 (Stb. 1904, 73), zoals deze is gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 20 Juni 1938 (Stb. 521); artikel 1, eerste lid, onder b, van de Arbeidswet 1919 (Stb. 624), zoals deze is gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 16 Augustus 1951 (Stb. 390); artikel 38, eerste lid, onder ƒ van de Veiligheidswet 1934 (Stb. 352), zoals deze is gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 15 Mei 1952 (Stb. 274) en artikel 38 van de Hinderwet (Stb. 1952, 274);

De Raad van State gehoord (advies van 20 Januari 1953, No 38);

Gezien het nader rapport, mede namens Onze voornoemde Minister, van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 29 Januari 1953, No 159, Afdeling Arbeidsverhoudingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I. Ais bovengronds gelegen werken en inrichtingen van mijnen, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onder a en b, en 12, eerste lid, van de Mijnwet 1903, artikel 1, eerste lid, onder b, van de Arbeidswet 1919, artikel 38, eerste lid, onder f, van de Veiligheidswet 1934 en artikel 38 van de Hinderwet worden aangewezen alle bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen met uitzondering van:

1°. A. kantoren, voor zover deze buiten het eigenlijke mijnterrein zijn gelegen;

B. het hoofdkantoor der N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Limburgsche Steenkolenmijnen, genaamd Oranje-Nassau Mijnen, thans gevestigd aan de mijn Oranje-Nassau I te Heerlen, het hoofdkantoor der Société Anonyme des Charbonnages Néerlandais Willem-Sophia, thans gevestigd aan de rn *jn Willem te Spekholzerheide, het hoofdkantoor der N.V. Domaniale Mijnmaatschappij, thans gevestigd aan de Domauiale mijn te Kerkrade;

2°. in aanbouw zijnde nieuwe bouwwerken; 3°' steenfabrieken; 4 • tot het hogedruk gasbedrijf der Staatsmijnen in Limburg behorende werken en inrichtingen, voor zover deze buiten het eigenlijke mijnterrein zijn gelegen; 5°. werken en inrichtingen ten dienste van de levering door mijnondernemingen van electriciteit en water aan gemeenten °f particulieren, voor zover deze werken en inrichtingen buiten het eigenlijke mijnterrein zijn gelegen.

Artikel 2. Het Koninklijk besluit van 13 Februari 1939 (Stb. 841) wordt ingetrokken.

Artikel 3. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 Februari 1953.

Onze Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van Economische Zaken zijn, ieder voor zoveel hem aangaat,

belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 30 Januari 1953.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,

A. A. VAN RH1JN.

De Minister van Economische Zaken,

J. ZIJLSTRA.

Uitgegeven de dertigste Januari 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

38

BESLUIT van 10 Januari 1953 tot wijziging van de artikelen 15 en 16 van het Reglement medisch tuchtrecht en oplossing van geschillen Stb. 1929, 474.

Wii JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, mede namens Onze Ministers van Justitie en van Financiën van 8 November 1952, No. 14837, Afdeling Volksgezondheid I;

Gelet op artikel 15 van de Medische Tuchtwet van 2 Juli 1928, Stb. 222, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 23 Mei 1951, Stb. 171;

De Raad van State gehoord (advies van 25 November 1952, No 38);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Sociale Zaken en Volksgezondheid d.d. 29 December 1952, No 17037, Afdeling Volksgezondheid I, van Justitie d.d. 31 December 1952, 6e afdeling, en van Financiën d.d. 31 December 1952, no 225, Generale Thesaurie, Directie Financieringen en Coördinatie Oorlogsschade;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel I

Artikel 15 van het Koninklijk besluit van 31 October 1929, Stb. 474, (Reglement medisch tuchtrecht en oplossing van geschillen), zoals dit is gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 19 November 1932, Stb. 542, wordt als volgt gelezen:

1. De Voorzitters, leden en secretarissen der Colleges ontvangen vergoeding van reis- en verblijfkosten op de voet van de door Ons wegens reizen voor ’s Rijks dienst vastgestelde en nader vast te stellen bepalingen.

2. De Voorzitters en secretarissen ontvangen bovendien een vacatiegeld van onderscheidenlijk f 40,— en f 20,— per ingediende klacht of aanhangig gemaakt geschil, de leden een vacatiegeld van f 12,50 per zitting.

3. Geen vacatiegeld wordt toegekend, indien een klager zonder nader onderzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard of een klacht, als kennelijk ongegrond of van onbeduidende aard, door het College zonder nader onderzoek wordt afgewezen. Evenmin, indien een geschil naar het oordeel van het College van onbeduidende aard is.

4. De secretarissen van de Colleges te Groningen, Zwolle en Eindhoven ontvangen een vergoeding voor bureaukosten van f 100,— ’s jaars, die van de Colleges te Amsterdam en te ’s-Gravenhage van f200,— ’s jaars. Daarnaast hebben de secretarissen aanspraak op een vergoeding van bureaukosten ten bedrage van f20,—■ per ingediende klacht of aanhangig gemaakt geschil.

Sluiten