Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uiteraard staat het de afdeling vrij, wanneer Uwe Majesteit bij contrair besluit een bepaalde uitlegging aan een wettelijke bepaling heeft gegeven, zich daaraan voor de toekomst niet te conformeren. Het is echter anderzijds duidelijk, dat het niet aangaat in volkomen identieke omstandigheden de ene appellant wel- en de andere niet-ontvankelijk te verklaren.

Het betoog van de afdeling, dat de gehele behandeling een klucht zou dreigen te worden, als zij in een geval als het onderhavige achteraf binnenskamers aan de tegen de appellant gerichte argumentatie van de Minister het oor zou lenen, vermag de ondergetekende niet te volgen. Dit standpunt zou juist zijn, indien na de openbare behandeling van de zijde van de Minister nieuwe feiten zouden worden aangevoerd, hetgeen niet is geschied. Tegen het plegen van nader overleg over de waardering van aan alle partijen bekende gegevens, kan in redelijkheid geen bezwaar worden ingebracht. Wanneer de afdeling aanvoert, dat voor overleg met de Minister ook hierom geen plaats is, omdat deze zich bij de behandeling van de zaak in de openbare vergadering niet heeft doen vertegenwoordigen en zijn standpunt niet nader heeft doen toelichten, dan moge de ondergetekende daartegenover stellen, dat hiervoor geen enkele aanleiding bestond, nu de Kroon reeds een en andermaal overeenkomstig de adviezen van de afdeling in soortgelijke gevallen een niet-ontvankelijkheid van de appellant had aangenomen en de ondergetekende bezwaarlijk kon vermoeden, dat de afdeling in het onderhavige geschil een beslissing in andere zin zou voordragen. Bovendien behoort de ontvankelijkheid van een beroep zelfstandig te worden beoordeeld, onafhankelijk van de door de partijen aangevoerde argumenten. Bepaald onjuist zou de ondergetekende de opvatting achten, dat een niet-ontvankelijkheid niet kan worden uitgesproken, indien door een der partijen hierop niet expressis verbis een beroep is gedaan.

Naar aanleiding van de passage in het nader rapport van de afdeling, dat het, als de Minister de niet-ontvankelijkheid in ieder geval wil doorzetten, aangewezen lijkt, dat hij daarvoor, ook tegenover de justiciabelen, de verantwoordelijkheid op zich neemt, zou de ondergetekende willen opmerken, dat hij voor de beslissing in dit geschil altijd de verantwoordelijkheid tegenover de justiciabelen draagt, ongeacht of zij genomen wordt overeenkomstig dan wel contrair aan het door de afdeling voorgedragen ontwerp-besluit.

Op grond van het bovenstaande kan de ondergetekende Uwe Majesteit niet in overweging geven het advies van de Afdeling voor de Geschillen van Bestuur te volgen. Op dezelfde gronden als die, welke de Minister van Binnenlandse Zaken in de zaak Luinge heeft aangevoerd, is hij van oordeel, dat de appellant in zijn beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Mitsdien veroorlooft de ondergetekende zich Uwe Majesteit in overweging te geven het hierbij aangeboden ontwerp-besluit te bekrachtigen.

De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,

J. CALS.

40

BESLUIT van 31 Januari 1953 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 35bis der Veiligheidswet 1934.

Wu JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 14 Januari 1953, No. 104, Afdeling Arbeidersbescherming;

Gelet op artikel 35 bis der Veiligheidswet 1934;

De Raad van State gehoord (advies van 20 Januari 1953, No 40);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 28 Januari 1953, No 227, Afdeling Arbeidersbescherming;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Als voorschriften, bedoeld in artikel 35 bis, eerste lid, letter b, der Veiligheidswet 1934, worden aangewezen de krachtens artikel 6 dier wet gestelde voorschriften.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 Februari 1953.

Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 31 Januari 1953.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,

A. A. VAN RHIJN.

Uitgegeven de derde Februari 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

Sluiten