Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikelen 13 en 14. Vervallen. (6)

Artikel 15 (1). De bepalingen, welke voor burgerlijke Rijksambtenaren zijn of worden vastgesteld, ten aanzien van het gelijktijdig genot van burgerlijke en militaire beloning, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de bezoldigde rechterlijke ambtenaren, met dien verstande evenwel, dat de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren van de aan hun ambt verbonden bezoldiging nimmer minder ontvangen dan het bedrag waarmede deze bezoldiging hun militaire beloning overtreft.

Artikel 16 (1). Ter griffie van de gerechten, in deze wet bedoeld, en ten parkette van de ambtenaren van het openbaar ministerie zijn voor zoveel nodig, bureelambtenaren werkzaam.

Naar behoefte worden bij de gerechten, in deze wet bedoeld, bedienden aangesteld.

Artikel 17 (1). Bij de gerechten in deze wet bedoeld, worden deurwaarders aangesteld.

Omtrent hun taak worden nadere voorschriften gegeven bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 18 (1). Wachtgelden, genoten krachtens artikel 2 der wet van 17 November 1933, Staatsblad No. 606, worden verhoogd in dier voege, dat de daaraan ten grondslag liggende wedde wordt gesteld op het bedrag, dat zij ingevolge deze wet zou hebben belopen.

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19 (1). Voor de toekenning van periodieke verhogingen worden medegeteld alle dienstjaren in één der in artikel 10 vermelde betrekkingen doorgebracht, ook vóór het in werking treden dezer wet.

Artikel 20 (1). Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet vervallen:

a. de wet van 5 Juli 1910, Staatsblad No. 181, tot regeling van de samenstelling van de Hoge raad, de gerechtshoven, de arrondissements-rechtbanken en de kantongerechten, van de klassen der rechtbanken en kantongerechten en van de jaarwedden der rechterlijke ambtenaren, tevens houdende enige voorzieningen omtrent het verdere aan die gerechten verbonden personeel;

b. de wet van 8 November 1946, Staatsblad No. G315, houdende voorlopige voorzieningen betreffende de bezoldiging van de rechterlijke macht, behalve voor zover deze wet betrekking heeft op de militair-rechterlijke macht.

Artikel 21 (1). Deze wet wordt geacht te zijn in werking getreden op 1 October 1946.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Amsterdam 18 December 1947.

WILHELMINA.

De Minister van Justitie,

J. H. VAN MAARSEVEEN.

Uitgegeven de dertigste December 1947.

De Minister van Justitie,

J. H. VAN MAARSEVEEN.

Artikel VII, de overgangsbepalingen en de slotbepaling van de wet van 30 November 1950 (Stb. K 547), houdende wijziging van de wet van 18 December 1947 (Stb. H 430)

Artikel VII (10). Vervallen. (Zie 16).

Overgangsbepalingen

Artikel VIII (7)

Aan de rechterlijke ambtenaar, die voor de eerste maal in het huwelijk treedt en wiens diensttijd voldoet aan de in het

tweede lid gestelde voorwaarden, v ordt voor elke volle maand van zijn in dat lid bedoelde diensttijd een uitkering toegekend van 3 % van de wedde, vaste toelagen en vergoedingen per maand, welke op 1 October 1946 voor hem golden.

Als diensttijd in de zin van het eerste lid komt in aanmerking dat deel van de aan 1 October 1946 voorafgaande diensttijd, gedurende hetwelk de rechterlijke ambtenaar — nog geen 46 jaar oud zijnde — onderworpen is geweest aan een ongehuwden-aftrek ingevolge de bepalingen van een algemeen geldende Rijksbezoldigingregeling, met dien verstande, dat van dit deel nimmer een groter tijdvak in aanmerking wordt genomen dan 5 jaar, verminderd met de van 1 October 1946 tot de datum van het huwelijk verlopen tijd.

Onze Minister van Justitie stelt op verzoek van geval tot geval vast van welk bedrag de in het eerste lid bedoelde 3 % moet worden berekend, indien op 1 October 1946 geen wedde gold.

Artikel IX (7)

Onverminderd het bepaalde in artikel VIII wordt aan de rechterlijke ambtenaar, die voor de eerste maal in het huwelijk treedt, indien hij tussen 30 September 1946 en 1 Januari 1948 bezoldigd is geweest volgens een algemeen geldende Rijksbezoldigingsregeling, een uitkering toegekend, gelijk aan het verschil tussen de wedde en vergoedingen, welke hij — nog geen 46 jaar oud zijnde — in een ambtelijke functie gedurende zijn dienstverband in vorenomschreven tijdvak, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, als gehuwde zou hebben ontvangen, en de wedde en vergoedingen, welke voor hem — nog geen 46 jaar pud zijnde — gedurende bedoeld tijdvak hebben gegolden.

Van het in het vorige lid bedoelde tijdvak blijft voor de vaststelling van de uitkering buiten aanmerking de tijd, welke meer dan 5 jaar vooraf gaat aan de dag van het huwelijk.

Artikel X (7)

In afwijking van het bepaalde in de beide voorafgaande artikelen ontvangt de rechterlijke ambtenaar, die in het huwelijk is getreden tussen 31 December 1947 en de dagtekening van het Staatsblad waarin deze wet is geplaatst, de uitkeringen overeenkomstig artikel 14 van de ongewijzigde wet van 18 December 1947 (Staatsblad No. H 430).

Op de wedde, welke de in het eerste lid bedoelde rechterlijke ambtenaar toekomt over het tijdvak 1 Januari 1948 tot de eerste van de maand, volgende op die waarin de ambtenaar in het huwelijk is getreden, wordt een tijdelijke vermindering toegepast overeenkomende met het verschil van de wedden, welke hem volgens de in het eerste lid bedoelde ongewijzigde wet als ongehuwd en als gehuwd ambtenaar gedurende dit tijdvak zouden zijn toegekomen.

Artikel XI (7)

De tegemoetkomingen en vergoedingen, uitgekeerd na 1 Januari 1948, krachtens het Verplaatsingskostenbesluit ( Staatsblad 1946 No. G 371) en berekend op de grondslag van de bezoldiging genoten krachtens de ongewijzigde wet van 18 December 1947 (Staatsblad No. H 430), blijven ongewijzigd.

Artikel XII (7)

Voor het toekennen van de in artikel 10 van de wet van 18 December 1947 (Staatsblad No. H 430) bedoelde periodieke verhogingen worden, onverminderd het bepaalde in de beide volgende leden, medegeteld alle dienstjaren in één der in voornoemd artikel 10 vermelde betrekkingen, ook die vóór 1 Januari 1948 bekleed.

De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 10 der wet van 18 December 1947 (Staatsblad No. H 430), worden voor de vaststelling van de wedde op 1 Januari 1948 en voor de toekenning van de verdere periodieke verhogingen geacht op deze dag een diensttijd te bezitten, welke de helft bedraagt van de werkelijke daarvoor in aanmerking komende diensttijd. Gedeelten van een maand worden naar boven afgerond tot een volle maand.

Sluiten