is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1953, no. 1-101, 01-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

74

BESLUIT van 24 Februari 1953 tot vaststelling van het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie.

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van 6 Januari 1953, Afdeling Politie, Bureau Personeel en Organisatie, no. 3001, en Afdeling Openbare Orde en Veiligheid, Bureau Algemene en Juridische Zaken, no. 1522;

Gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en b van het Politiebesluit 1945;

De Raad van State gehoord (advies van 27 Januari 1953, no. 8);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 12 Februari 1953, Afdeling Politie, Bureau Personeel en Organisatie, no. 3001, en Afdeling Openbare Orde en Veiligheid, Bureau Algemene en Juridische Zaken, no. 1900;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I Algemene bepaling

Artikel 1. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder: „Onze Minister”: Onze Minister van Binnenlandse Zaken.

„Ambtenaar”: hij, die door het bevoegd gezag is aangesteld in een rang, als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder b van het Rangenbesluit Politiepersoneel.

„Bevoegd gezag”: Wij, indien de ambtenaar door Ons is aangesteld; de burgemeester, voor zover betreft de overige ambtenaren.

„Salaris”, „Wedde” en „Bezoldiging”: hetgeen daaronder voor de toepassing van het Bezoldigingsreglement Politie 1949 wordt verstaan.

HOOFDSTUK II Aanstelling en bevordering

Artikel 2. 1. De aanstelling in politiedienst geschiedt in vaste dienst al of niet met een proeftijd. Deze proeftijd duurt voor ambtenaren beneden de rang van surnumerair ten hoogste twee jaren en voor ambtenaren boven de rang van a'djudant ten hoogste drie jaren.

2. De proeftijd kan worden verlengd met het tijdvak, gedurende hetwelk de ambtenaar als militair in werkelijke dienst 1S 1 in andere bijzondere gevallen kan de proeftijd voor ambtenaren beneden de rang van surnumerair worden verlengd tot ten hoogste drie jaren.

3. Overigens kan in zeer bijzondere gevallen met machtiging van Onze Minister de proeftijd worden verlengd.

Artikel 3. 1 . Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de ambtenaar de volgende eed (verklaring en belofte) van zuivering af:

„Ik zweer/verklaar, dat ik middellijk of onmiddellijk onder „welke vorm of voorwendsel, tot het verkrijgen mijner aanstelling, aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of »beloofd, of zal geven of beloven.

>.Ik zweer/beloof, dat ik, om iets hoegenaamd in mijn be>,trekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aan> .nemen.

„Zo waarlijk helpe mij God almachtig!” („Dat verklaar en beloof ik!”)

Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:

„Ik zweer/beloof trouw aan de Koningin, aan de Grond„wet en aan de wetten des Rijks.

„Ik zweer/beloof, dat ik de krachtens de wet uitgevaardigde „voorschriften en de verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen en de „zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij „als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwe„lijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen „dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot „mededeling verplicht ben, en dat ik mij als een nauwgezet en „ijverig politie-ambtenaar zal gedragen.

„Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!” („Dat beloof ik!”)

2. De eden (verklaringen en beloften) worden door de ambtenaar, die chef van het korps dan wel commissaris van gemeentepolitie is, afgelegd in handen van Onze Commissaris in de provincie en door de overige ambtenaren in handen van de burgemeester of met machtiging van deze in handen van de chef van het korps, indien deze hoofdcommissaris of commissaris van gemeentepolitie is.

Artikel 4. 1. Onverminderd hetgeen in de Pensioenwet 1922 ( Staatsblad no. 240) omtrent de pensioengrondslag is bepaald, ontvangt de ambtenaar zo spoedig mogelijk een akte van aanstelling, welke in elk geval vermeldt:

a. zijn naam, voornamen en geboortedatum;

b. dat hij al of niet met een proeftijd in vaste dienst wordt aangesteld;

c. de dag van ingang van de aanstelling, de functie en de rang, waarin hij is aangesteld.

Onze Minister stelt het model van de akte van aanstelling vast.

2. Alle wijzigingen, welke worden aangebracht in de punten, in het vorige lid vermeld, worden de ambtenaar schriftelijk medegedeeld.

3. Op de akte van aanstelling wordt door het gezag, in wiens handen de ambtenaar de vereiste eden (verklaringen en beloften) heeft af gelegd, een aantekening gesteld, vermeldende het feit van de aflegging dier eden (verklaringen en beloften), alsmede de datum, waarop deze is geschied.

Artikel 5. 1. De ambtenaar ontvangt voorts een exemplaar van dit besluit alsmede van de schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, tenzij laatstbedoelde regelingen op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

2. Wanneer zodanige regelingen niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 6. 1. De burgemeester doet voor elke rang een ranglijst aanhouden van de door hem aangestelde ambtenaren.

2. De ambtenaren worden op de ranglijst geplaatst in volgorde van de data, met ingang waarvan zij in hun rang zijn aangesteld. Worden twee of meer personen, die nog niet bij de politie werkzaam waren, op dezelfde dag in dezelfde rang benoemd, dan wordt de oudere boven de jongere geplaatst. Worden twee of meer ambtenaren op dezelfde dag tot dezelfde rang bevorderd, dan wordt hun onderlinge rangorde in de nieuwe rang bepaald naar de rangorde in de vorige rang of de te voren door hen beklede rangen. Worden op dezelfde dag zowel personen, die reeds bij de politie werkzaam waren als personen, die nog niet bij de politie werkzaam waren, aangesteld, dan worden de eersten boven de laatsten geplaatst.

3. De ranglijsten, bedoeld in het eerste lid, worden ter kennis gebracht van de ambtenaar.