Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7°. stilstand van periodieke verhoging van salaris wordt opgelegd voor niet langer dan vier jaren; 8°. terugzetting in salaris geschiedt voor ten hoogste het bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen; 9°. uitsluiting van bevordering geschiedt voor niet langer dan vier jaren.

Artikel 80. 1. Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien betrokkene zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

2. Indien met toepassing van het bepaalde in het vorige lid de straf van ontslag wordt opgelegd, kan tegelijk met deze straf een der in het eerste lid, onder a tot met ƒ van artikel 79 genoemde straffen worden opgelegd.

Artikel 81. 1. De betrekkelijke zwaarte der tuchtstraffen wordt bepaald door de volgorde, waarin zij voorkomen in artikel 79.

2. Bij de bepaling van de soort en de mate van een straf is de strafoplegger verplicht rechtvaardigheid naast gestrengheid te betrachten en zowel de omstandigheden, waaronder het vergrijp is begaan als de persoonlijkheid en het doorgaand gedrag van de betrokken ambtenaar in aanmerking te nemen.

Artikel 82. 1. De straf, genoemd in het eerste lid, onder j, k of /, van artikel 79, wordt niet opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich, te zijner keuze, mondeling of schriftelijk, binnen vier maal vier en twintig uur te verantwoorden. Bij zijn verantwoording mag hij van de hulp van anderen gebruik maken. Een andere straf wordt niet opgelegd, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid gesteld is, zich mondeling te verantwoorden, tenzij de verantwoording ingevolge dit lid reeds heeft plaats gehad.

2. Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt aanstonds proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft, en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met opgave der redenen, melding gemaakt.

3. Indien de ambtenaar zulks verlangt, wordt hij in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden, welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.

4. De strafoplegging geschiedt schriftelijk en wordt met redenen omkleed.

Artikel 83. Van het opleggen van straf ontvangt de ambtenaar onverwijld kennis door toezending van een afschrift van het besluit tot strafoplegging. Daarbij wordt tevens medegedeeld, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep open staat.

Artikel 84. De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

HOOFDSTUK IX

Schorsing en ontslag

Artikel 85. 1. De ambtenaar kan in zijn ambt worden geschorst:

a. wanneer een strafrechtelijke vervolging tegen hem wordt ingesteld; b. wanneer hem door het bevoegd gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; c. wanneer naar het oordeel van het tot schorsing bevoegde gezag het belang van de dienst zulks vordert.

2. Schorsing geschiedt door het bevoegd gezag. Berust die bevoegdheid bij de burgemeester, dan kan deze bepalen, dat, in afwachting van de schorsing, voorlopige buitenfunctiestelling kan geschieden door de chef van het korps.

Artikel 86. De ambtenaar wordt in zijn ambt geschorst, indien hij:

a. zich in verzekering of in voorlopige hechtenis bevindt; b. in een krankzinnigengesticht wordt verpleegd.

Artikel 87. 1. Gedurende de tijd, dat de ambtenaar, ingevolge artikel 85, eerste lid, aanhef en onder a, of ingevolge artikel 86, aanhef en onder a is geschorst, wordt de bezoldiging voor één derde gedeelte ingehouden. Nadat de inhouding ingevolge de vorige volzin gedurende een termijn van zes weken heeft plaats gehad, kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag worden toegepast. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald.

2. De ingevolge het eerste lid ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

3. Gedurende de tijd, dat de ambtenaar ingevolge artikel 85, eerste lid, aanhef en onder b, is geschorst, kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden. Van bedoelde datum van ingang van het ontslag af wordt de bezoldiging geheel ingehouden. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald.

4. De ingevolge het derde lid ingehouden bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 88. 1. Ontslag wordt verleend door het bevoegd gezag. Het ontslag wordt schriftelijk verleend.

2. Bij ongevraagd ontslag wordt de ambtenaar, behoudens in de gevallen, bedoeld in de artikelen 93 en 95, de reden van het ontslag schriftelijk medegedeeld.

Artikel 89. 1. De ambtenaar wordt op zijn verzoek eervol ontslag verleend.

2. Het ontslag wordt verleend met ingang van een dag, niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag, waarop het verzoek om ontslag is ingekomen; op verzoek van de ambtenaar of om dringende redenen van openbaar belang kan hiervan worden af geweken.

3. Is een strafvervolging tegen de ambtenaar aanhangig of wordt overwogen hem in aanmerking te brengen voor een tuchtstraf, dan kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden, totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing in zake de tuchtstraf onherroepelijk is geworden.

Artikel 90. 1. Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van de dienst.

2. Bij ontslag wegens verandering in de inrichting van de dienst geschiedt het ontslag, behoudens het bepaalde in het derde lid, bij gelijke bekwaamheid en geschiktheid in de volgende rangorde:

a. zij, die zulks wensen; b. de gehuwde vrouwelijke ambtenaren, tenzij zij kostwinner zijn van een gezin;

c. zij, die dertig of meer voor pensioen geldige dienstjaren hebben, waarbij ongehuwden, die geen kostwinner van een gezin zijn, vóór de overigen en in beide groepen ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;

d. zij, die de leeftijd van vijf en dertig jaren nog niet hebben overschreden en niet zes maanden of langer hetzij gehuwd, hetzij kostwinner van een gezin zijn, te beginnen met hen, die de minste dienstjaren hebben;

e. zij, die de minste dienstjaren hebben.

Sluiten