Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

159 Subsidie aan de Carnegiestichting....... 10 000 160 Subsidie aan het Genootschap voor Internationale Zaken................... 35 000 161 Subsidie aan de Nederlandse Inlichtingendienst voor de Verenigde Naties........... Memorie 162 Subsidie Studie Commissie Vluchtelingen .... 500 163 Aandeel van Nederland in de kosten van de Verenigde Naties en daarmede verband houdende internationale organisaties............. 3 605 000 164 Aandeel van Nederland in de kosten van het te ’s-Gravenhage gevestigd Internationaal Bureau voor het Permanente Hof van Arbitrage..... 2 700 165 Kosten voor bijdragen en deelneming aan internationale conferenties, commissies, vergaderingen, enz..................... 561 500 AFDELING XIV. INTERNATIONALE TECHNISCHE HULP.............. 1 786 700 166 Personeelsuitgaven.............. 99 000 167 Verblijfstoelagen gedetacheerd personeel van de Buitenlandse Dienst............. Memorie 168 Aandeel in de algemene uitgaven, zoals vermeld in artikel 17 ................ 35 000 169 Representatiekosten............ 2 000 170 Aandeel in de kosten van aanschaffingen voor inrichting, uitbreiding en vernieuwing, zoals vermeld in artikel 21................ 700 171 Kosten voor bijdragen en deelneming aan internationale conferenties, commissies, vergaderingen, enz..................... 50 000 172 Kosten van Nederland in de technische hulp der Verenigde Naties aan minderontwikkelde landen 1 600 000 TITEL B. BUITENGEWONE DIENST: I. UITGAVEN VAN AFLOPEND KARAKTER. . Nihil II. KAPITAALSUITGAVEN........... 1 420 000 II. KAPITAALSUITGAVEN........... 1 420 000 AFDELINGEN: I MINISTERIE................ 20 000 II BUITENLANDSE DIENST.......... 1 400 000 AFDELING I. MINISTERIE........ 20 000 Onderafdeling III. UITGAVEN VAN ALGEMENE AARD VAN HET MINISTERIE . . 20 000 173 Voorschotten aan ambtenaren......... 20 000 AFDELING II. BUITENLANDSE DIENST . 1 400 000 Onderafdeling II. VERTEGENWOORDIGING IN HET BUITENLAND.......... 1 400 000 174 Gebouwen..................~1 400000

Artikel II

Op de artikelen voor personeelsuitgaven van het bij deze we vastgestelde hoofdstuk, te weten de artikelen 5, 11, 13 37 44 45, 46, 61, 67, 71, 75, 92, 101, 107, 112, 117^ 126, 132, 138 146, 152 en 166 worden aangewezen uitgaven wegens:

bezoldiging van personeel in vaste en in tijdelijke dienst 2. bezoldiging van personeel op arbeidsovereenkomst;

3. lonen personeel in los dienstverband; 4. salarissen en lonen personeel met onvolledige dagtaak; 5. lopende toelagen; 6. incidentele uitkeringen; 7. aandeel in de sociale lasten.

Artikel III

Op de artikelen voor algemene uitgaven van het bij deze wet vastgestelde hoofdstuk, te weten de artikelen 17, 26, 50, 69 en 115 worden aangewezen uitgaven wegens:

1. huisvestingskosten; 2. bureaukosten; 3. reis-, verblijf- en verplaatsingskosten; 4. overige algemene uitgaven.

Artikel IV

Op artikel 36 van het bij deze wet vastgestelde hoofdstuk worden aangewezen de tot het dienstjaar 1953 behorende uitgaven, welke het Departement van Buitenlandse Zaken betreffen, haar omschrijving niet vinden in een der andere artikelen van dat hoofdstuk en moeten dienen ter voorziening in de behoeften, die in de loop van dat dienstjaar onverwacht opkomen.

Deze uitgaven worden voor elke soort afzonderlijk in de rekening gebracht en omschreven.

Artikel V

Wanneer het bedrag, uitgetrokken bij een der artikelen 8, 9, 17, 18, 21, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 32, 33, 39, 41, 42, 43, 50, 52, 53, 54, 55, 56, 62, 63, 69, 70, 72, 73, 74, 76, 77, 78, 79, 87, 94, 95, 97, 99, 103, 105, 109, 111, 115, 116, 119, 121, 122, 125, 128, 130, 131, 134, 136, 137, 140, 142, 145, 148, 150, 151, 154, 156, 163, 164, 165, 168, 170 en 171 van het bij deze wet vastgestelde hoofdstuk ontoereikend wordt bevonden, kan het overeenkomstig artikel 13 der Comptabiliteitswet (Stb. 1927, no. 259) door overschrijving uit artikel 36 van dat hoofdstuk worden aangevuld.

Uit laatstgemeld artikel kan mede worden overgeschreven op de artikelen 98 en 106.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 7 April 1953.

JULIANA.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. W. BEYEN.

De Minister zonder Portefeuille,

J. LUNS.

Uitgegeven de een en twintigste April 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Bijl. Hand. II 52/53, 2800; Hand. II 52/53, bladz. 362 t/m 386; 388 t/m 417; 420 t/m 459; Bijl. Hand. I 52/53, 2800; Hand. I 52/53, bladz. 358 t/m 391 en 393 t/m 432.

Sluiten