Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

227

WET van 9 Mei 1953 tot wijziging van de Lager-onderwijswet 1920.

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Lager-onderwijswet 1920 een regeling te treffen omtrent een verplichte keuring van de onderwijzers, alsmede in deze wet enige noodzakelijk gebleken wijzigingen van technische aard aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

In de Lager-onderwijswet 1920 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

Artikel 1. Het derde lid van artikel 27 wordt gelezen:

3. Aan het hoofd ener school kan voor een tijdvak van ten hoogste zes maanden een onderwijzer, die niet aan de in het eerste lid gestelde eisen voldoet, worden geplaatst. Onze Minister kan in bijzondere gevallen die termijn verlengen.

De eerste volzin van het vierde lid van artikel 27 wordt gelezen:

4. Behoudens voor zover betreft scholen, waaraan volgens de maatstaf van artikel 28 naast het hoofd negen of meer onderwijzers worden vereist, is aan de onderwijzer, bedoeld in het eerste lid, tevens het onderwijs ener klasse opgedragen.

Artikel 2. Het eerste lid van artikel 28 wordt gelezen:

1. Aan elke school voor gewoon lager onderwijs wordt naast het hoofd ten minste één onderwijzer vereist, zodra het aantal leerlingen 31 bedraagt.

De eerste volzin van het derde lid wordt gelezen:

3. Aan elke school voor voortgezet gewoon lager onderwijs wordt naast het hoofd ten minste één onderwijzer vereist, zodra het aantal leerlingen 31, ten minste twee onderwijzers, zodra het 51 en ten minste drie onderwijzers, zodra het 91 bedraagt.

De eerste volzin van het vierde lid wordt gelezen:

4. Aan elke school voor uitgebreid lager onderwijs wordt naast het hoofd ten minste één onderwijzer vereist, zodra het aantal leerlingen 31 bedraagt.

Artikel 3. In artikel 30 wordt na het derde lid een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:

4. Aan de hoofden van scholen en de onderwijzers kunnen bij algemene maatregel van bestuur uitkeringen worden verzekerd boven en behalve die, waarop zij krachtens de in de vorige leden bedoelde maatregel aanspraak hebben.

Het vierde lid wordt vijfde lid. Dit lid wordt gelezen:

5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt eveneens de wijze van uitbetalen der jaarwedde en wedde geregeld en worden regelen gesteld betreffende verlof tot afwezigheid en betreffende inhouding van jaarwedde of wedde bij dat verlof, alsmede betreffende de uitkering, bij overlijden van de hoofden en onderwijzers toe te kennen aan hun nagelaten betrekkingen.

Artikel 4. Na artikel 36 wordt een nieuw artikel 36 bis ingevoegd, luidende:

Artikel 36 bis

1. Om voor de eerste maal tot een school te worden toegelaten moet de onderwijzer in het bezit zijn van een geneeskundige verklaring, dat hij geen ziekten of gebreken heeft, welke hem voor het ambt van onderwijzer ongeschikt maken.

2. Het onderzoek, dat voor het afgeven van de in het eerste lid bedoelde verklaring nodig is, wordt ingesteld vanwege burgemeester en wethouders der gemeente, waar de school is gevestigd.

3. Hij, die blijkens het geneeskundige onderzoek niet geschikt is bevonden, kan binnen veertien dagen na ontvangst van de mededeling van de uitslag van het onderzoek, aan burgemeester en wethouders herkeuring vragen, mits hij bij zijn verzoek een met redenen omklede geneeskundige verklaring overlegt. De herkeuring geschiedt door één of meer door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen geneeskundigen, die niet hebben deelgenomen aan het geneeskundige onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Desgewenst kan aan deze herkeuring een door de onderwijzer en voor zijn rekening aan te wijzen geneeskundige deelnemen. Deze heeft een adviserende stem.

4. In geval van ziekte of ongeval van een onderwijzer kunnen burgemeester en wethouders ter beantwoording van de vraag, of diensthervatting al dan niet kan plaats vinden, een geneeskundig onderzoek doen instellen.

5. Wij geven bij algemene maatregel van bestuur regelen betreffende het in dit artikel bedoeld geneeskundige onderzoek, alsmede betreffende de inhouding van jaarwedde en wedde bij weigering zich aan dit onderzoek te onderwerpen en bij niet hervatting van de dienst, indien daartegen op grond van dit onderzoek geen bezwaar bestaat.

Artikel 5. In het zestiende lid onder 3° van artikel 51 worden de woorden: „het eerste of derde lid van artikel 20 van Ons besluit van 22 October 1923 (Staatsblad no. 489)” vervangen door: het tweede lid van artikel 23 van Ons besluit van 28 December 1949 (Staatsblad no. J 596).

Artikel 6. De eerste volzin van het eerste lid van artikel 56 wordt gelezen:

1. Over elk dienstjaar vergoedt het Rijk aan de gemeente de jaarwedden der hoofden en der volgens de artikelen 27 en 28 verplichte onderwijzers, de jaarwedden of wedden van hen, die overeenkomstig artikel 41 zijn aangewezen voor tijdelijke waarneming ener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school, alsmede de in het vierde en vijfde lid van artikel 30 bedoelde uitkeringen.

Artikel 7. Aan het slot van artikel %lsexies wordt de volgende volzin toegevoegd:

De rente over die gelden van 1 Juli 1948 af ontvangen is daaronder begrepen, indien en zolang de kosten van de tijdelijke voorziening in schoolruimte van die datum af niet ten laste van het schoolbestuur zijn gekomen.

Artikel 8. In artikel 89 wordt na het vierde lid een nieuw lid 4 bis ingevoegd, luidende:

4 bis. Om voor de eerste maal tot een school te worden toegelaten moet de onderwijzer in het bezit zijn van een verklaring, als bedoeld in het eerste lid van artikel 36 bis. Het tweede tot en met vijfde lid van dat artikel zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat, waar in die leden wordt gesproken van burgemeester en wethouders, het schoolbestuur daarvoor in de plaats treedt.

Aan het slot van de eerste volzin van het vijfde lid van artikel 89 wordt de punt door een komma vervangen en daarna gelezen: alsmede gelijke uitkeringen, als in de in het vierde lid van artikel 30 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven.

Artikel 9. Artikel 91 wordt gelezen:

De akte van benoeming, bedoeld in artikel 89, zesde lid, vermeldt tenminste de naam en de voornamen van de benoemde, de aanwijzing van de school, waaraan de benoemde werkzaam zal zijn, de datum, waarop de benoeming zal ingaan, de bepaling of de benoeming voor vast of voor tijdelijk is ge-

Sluiten