Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 70. 1. Bij binnenkomst in een gesticht geven de gedetineerden op, of zij tot een godsdienstige gezindte behoren en zo ja, tot welke.

2. Ten aanzien van minderjarige gedetineerden is de opgave van ouders of voogden in de regel beslissend, indien deze van de opgave van de minderjarige afwijkt.

Artikel 71. 1. De gedetineerden, die opgeven tot een godsdienstige gezindte te behoren, verklaren, of zij de voor die gezindte te houden godsdienstoefeningen wensen bij te wonen. Indien zij dit wensen, zijn zij gedurende zes maanden tot bijwoning verplicht.

2. De gedetineerden, die verklaard hebben de voor hun gezindte te houden godsdienstoefeningen niet te willen bijwonen, kunnen deze verklaring te allen tijde intrekken. Wordt zij ingetrokken, dan begint de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden met de dag van intrekking opnieuw te lopen.

Artikel 72. 1. Indien het huishoudelijk reglement bepaalt, dat de gedetineerden verplicht zullen zijn gedurende de eerste twee maanden van de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf, hechtenis of plaatsing in een rijkswerkinrichting de voor hun gezindte te houden godsdienstoefeningen bij te wonen, kunnen meerderjarigen zich tot de directeur wenden met het verzoek van deze verplichting te worden ontheven, omdat zij daartegen bezwaren koesteren, aan hun opvattingen omtrent de godsdienst ontleend. Ten aanzien van minderjarigen wordt het verzoek gedaan door de ouders of wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige.

2. Het verzoek heeft geen schorsende kracht.

3. De directeur hoort onverwijld de betrokken geestelijke verzorger en zo nodig de gedetineerden. Hij is bevoegd het verzoek daarna in te willigen.

4. Indien de directeur van oordeel is, dat het verzoek behoort te worden afgewezen, roept hij onder overlegging van het advies van de betrokken geestelijke verzorger de beslissing van Onze Minister in.

Artikel 73. De aan het gesticht verbonden geestelijke verzorgers bezoeken de gedetineerden, wier geestelijke verzorging aan hen is opgedragen, zo spoedig mogelijk en houden geregeld contact met hen.

Artikel 74. De gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld godsdienstonderwijs te ontvangen van de aan het gesticht verbonden geestelijke verzorgers.

Artikel 75. 1 . Op hun erkende, als rustdag te vieren godsdienstige feest- en kerkdagen, Zondagen en gelijksoortige dagen daaronder begrepen, benevens bij retraites, tridua en protestants kerkelijke conferenties behoeven de gedetineerden geen arbeid te verrichten.

2. Voor de gedetineerden, die niet tot enige godsdienstige gezindte behoren, gelden de algemene christelijke feestdagen, de Zondag daaronder begrepen, als rustdag.

AFDELING 6 Ontwikkeling, ontspanning

Artikel 76. 1. Aan de gedetineerden, voor wie zulks wenselijk wordt geacht, wordt in de niet voor de arbeid bestemde tijd onderwijs gegeven, dat aan de ontwikkeling van hun persoonlijkheid en voor de behartiging van hun toekomstige maatschappelijke belangen zoveel mogelijk dienstig is.

2. In bijzondere gevallen kan met toestemming van Onze Minister onderwijs tijdens de arbeidsuren gegeven worden.

Artikel 77. Het onderwijs kan bestaan uit: a. gewoon lager onderwijs; b. nijverheidsonderwijs; c. handels- en kantooropleiding; d. ander onderwijs te bepalen door Onze Minister,

Artikel 78. 1. Het onderwijs wordt door de directeur in verband met de mogelijkheden ter plaatse en met de behoeften onder de gedetineerden geregeld.

2. Hij kan daartoe na verkregen goedkeuring van Onze Minister personen voor het geven van bepaalde lessen of cursussen aan het gesticht verbinden.

Artikel 79. 1. Gedetineerden, die onderwijs willen volgen in een vak, dat in het gesticht niet wordt onderwezen, kunnen in de gelegenheid worden gesteld op eigen kosten onderwijs te ontvangen van niet aan het gesticht verbonden instellingen of personen.

2. De directeur kan dit onderwijs te allen tijde doen eindigen.

Artikel 80. Aan veroordeelden tot militaire detentie kan krachtens opdracht van Onze Minister militair onderwijs worden gegeven. Onze Minister kan bepalen, dat dit onderwijs geheel of gedeeltelijk in de voor de arbeid bestemde tijd gegeven zal worden.

Artikel 81. Zelfstudie door gedetineerden wordt zoveel mogelijk bevorderd.

Artikel 82. 1. In ieder gesticht is een bibliotheek.

2. De zorg voor samenstelling en indeling berust bij de directeur.

3. De gedetineerden ontvangen tenminste eenmaal in de week boeken en tijdschriften uit de bibliotheek ter lezing.

Artikel 83. 1. Aan de gedetineerden kan worden toegestaan van eigen boeken en tijdschriften gebruik te maken of boeken en tijdschriften ter leen te ontvangen uit een openbare bibliotheek.

2. De directeur gaat voor de uitreiking na, of tegen deze boeken en tijdschriften geen bezwaar bestaat.

3. Zij worden, indien wenselijk, van rijkswege gehaald en terugbezorgd.

Artikel 84. 1. Het lezen van kranten en tijdschriften is toegestaan.

2. Onze Minister kan het lezen van bepaalde kranten en tijdschriften verbieden.

3. De directeur kan het lezen van bepaalde nummers verbieden.

Artikel 85. 1. Op gezette tijden, in het algemeen niet meer dan eenmaal per maand, kunnen muziek- of voordrachtuitvoeringen, toneel- of filmvoorstellingen wofden gegeven.

2. De directeur doet cp gezette tijden lezingen of voordrachten van algemeen vormende strekking houden.

Artikel 86. Het huishoudelijk reglement bepaalt, of en in welke mate de gedetineerden deelnemen aan recreatie.

Artikel 87. Het ten gehore brengen van muziek door middel van de radio of de gramofoon is toegestaan. Het huishoudelijk reglement geeft hieromtrent regels.

AFDELING 7 Sociale verzorging

Artikel 88. Ten behoeve van de sociale verzorging worden omtrent de gedetineerden gegevens verzameld, naar regelen door Onze Minister te stellen.

Artikel 89. 1. Bij het zoeken van een oplossing voor de maatschappelijke moeilijkheden van de gedetineerden en het scheppen van zo gunstig mogelijke omstandigheden bij zijn ontslag wordt aan de daartoe bevoegde instanties, stichtingen en verenigingen de hun toekomende taak gelaten en zo nodig hun hulp ingeroepen. Aan deze instanties, stichtingen en verenigingen wordt medewerking verleend, voorzover zulks binnen het gesticht mogelijk is.

2. In bijzondere omstandigheden kan de sociale ambtenaar zich met toestemming van de directeur rechtstreeks in verbinding stellen met buiten het gesticht vertoevende relaties van de gedetineerde.

AFDELING 8 Briefwisseling, bezoek.

Artikel 90. I. De gedetineerden kunnen tenminste eenmaal in de twee weken een brief zenden en ontvangen

Sluiten