Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Het huishoudelijk reglement bepaalt het aantal te verzenden en te ontvangen brieven.

3. De directeur kan het verzenden en ontvangen van extra brieven boven het in het huishoudelijk reglement bepaalde aantal toestaan.

Artikel 91. 1. De briefwisseling van en met de gevangenen staat onder controle van de directeur, met uitzondering van de briefwisseling met justitiële autoriteiten en behoudens het bepaalde in artikel 12, tweede lid.

2. De verzending of uitreiking van bepaalde brieven, die aan de controle van de directeur onderworpen zijn, kan worden geweigerd.

3. Het niet verzenden of niet uitreiken van deze brieven wordt de gedetineerde zo spoedig mogelijk medegedeeld. De niet verzonden of niet uitgereikte brieven worden in de regel vernietigd.

Artikel 92. 1. Op tijden, in het huishoudelijk reglement te bepalen, doch ten minste gedurende in totaal een uur per maand, wordt aan de gedetineerden toegestaan bezoek van familiebetrekkingen en, zo dit in hun belang kan zijn, van andere personen te ontvangen.

2. De directeur beslist omtrent de toelating van de zich aanmeldende personen.

3. Bij het bezoek kan toezicht aanwezig zijn.

AFDELING 9 Eigen geld

Artikel 93. 1. Als „eigen geld” van de gedetineerden wordt beschouwd:

a. het geld bij opneming in zijn bezit gevonden;

b. de gelden tijdens zijn verblijf in het gesticht te zijnen behoeve ontvangen;

c. de opbrengst van de te zijnen bate verkochte goederen.

2. Het „eigen geld” blijft onder berusting van de directeur, afgescheiden van zakgeld en uitgaanskas.

3. De gedetineerde kan naar door Onze Minister te stellen regelen, tijdens zijn detentie over het eigen geld beschikken.

4. Bij ontslag wordt het gedeelte, waarover hij niet beschikte, hem medegegeven.

Artikel 94. In geval van overlijden worden de kosten van de begrafenis, indien deze van rijkswege geschiedt, voor zover mogelijk voldaan uit zakgeld, uitgaanskas en eigen geld van de overleden gedetineerde. Het ontbrekende bedrag wordt door het Rijk voldaan.

AFDELING 10 Verlaten van het gesticht

Artikel 95. In buitengewone gevallen kan Onze Minister een gedetineerde vergunnen tijdelijk, onder door de Minister te stellen waarborgen, het gesticht te verlaten.

Artikel 96. Bij het huishoudelijk reglement kan worden bepaald, dat aan bepaalde gedetineerden verlof gegeven kan worden zonder toezicht buiten het gesticht te werken.

Artikel 97. Bij het huishoudelijk reglement kan worden bepaalt, dat bepaalde gedetineerden of een bepaalde groep gedetineerden gedurende een periode van ten hoogste acht maanden voor hun vermoedelijk ontslag enige keren gedurende ten hoogste drie dagen met verlof naar een door de directeur goed te keuren bestemming mogen vertrekken.

Artikel 98. In open gestichten kunnen de gedetineerden zich binnen de door het huishoudelijk reglement aangegeven grenzen vrij buiten het gesticht bewegen.

Artikel 99. Een gedetineerde kan naar de plaats worden overgebrachl, waar hij krachtens de wet moet verschijnen.

AFDELING 11 Tucht

Artikel 100. De directeur kan wegens het begaan van feiten, die onverenigbaar zijn met de goede orde en tucht, uitsluitend de volgende disciplinaire straffen opleggen:

a. opsluiting m een strafcel voor ten hoogste vier weken; daarbij kan voor ten hoogste zeven dagen het genot der vrije lucht onthouden worden;

b. opsluiting in een strafcel gedurende de niet voor de arbeid bestemde uren voor ten hoogste vier weken;

c. sluiting in de boeien voor ten hoogste veertien dagen zonder kromsluiting;

d. verstrekking van water en brood in plaats van het gewone voedsel voor ten hoogste vier weken en met dien verstande, dat deze straf, indien zij langer dan twee dagen duurt, slechts om de andere dag wordt toegepast;

e. verlaging in klasse, met dien verstande, dat een gedetineerde nimmer verlaagd mag worden tot een observatieklasse, waarin hij in afzondering verblijft;

ƒ. onthouding van bezoek, van het schrijven of ontvangen van brieven, voor ten hoogste vier weken, indien de overtreding in verband met bezoek onderscheidenlijk met correspondentie is gepleegd;

g. onthouding van lectuur, van het gebruikmaken der kantine of van andere voorrechten voor ten hoogste vier weken.

Artikel 101. Geen straf wordt opgelegd dan nadat de overtreder door hem, die de straf oplegt, is gehoord.

Artikel 102. 1. Een straf kan:

a. voorwaardelijk worden opgelegd;

b. tijdens haar tenuitvoerlegging voor het niet ten uitvoer gelegde deel worden omgezet in een voorwaardelijke.

2. Omzetting in een voorwaardelijke straf wordt steeds overwogen bij overplaatsing naar een ander gesticht.

3. Een voorwaardelijke straf kan worden ten uitvoer gelegd, indien binnen een proeftijd van zes maanden opnieuw een feit gepleegd is, dat met de goede orde en tucht onverenigbaar is.

Artikel 103. Een straf kan worden verzacht, indien het gedrag of de houding van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft of indien de gestichtsgeneesheer zulks om gezondheidsredenen wenselijk acht.

Artikel 104. Verschillende straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd.

Artikel 105. Van elke strafoplegging wordt aantekening gehouden in een register, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.

Artikel 106. 1. Onze Minister stelt de inrichting van de

strafcellen vast.

2. Zij mogen niet uitsluitend door kunstlicht worden verlicht.

TITEL IV

Bijzondere bepalingen met betrekking tot de veroordeelden tot gevangenisstraf

AFDELING 1 Selectie

Artikel 107. 1. De plaatsing van een tot gevangenisstraf

veroordeelde in een gesticht geschiedt op last van het openbaar ministerie bij het gerecht dat de beslissing gegeven heeft.

2. Onze Minister geeft ten aanzien van de plaatsing richtlijnen aan het openbaar ministerie.

3. Deze richtlijnen kunnen inhouden, dat vóór de plaatsing het advies wordt ingewonnen van daartoe door Onze Minister aan te wijzen, met de selectie belaste personen.

Artikel 108. De met de selectie belaste personen hebben het recht het persoonsdossier, het strafdossier en vroegere strafdossiers betreffende de te plaatsen veroordeelde in te zien.

Sluiten