Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid zonder aanzien van persoon zal waarnemen; dat ik geheim zal houden al hetgeen naar de aard der zaken geheim behoort te blijven.”

2. De eed (verklaring en belofte) wordt (worden) afgelegd:

a. door de voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, het vertegenwoordigende- lid, de plaatsvervangende leden en de secretarissen in handen van Onze Minister of van een door deze daartoe aan te wijzen ambtenaar;

b. door de gedelegeerden in handen van Onze Hoge Commissaris of van een Commissaris van het Koninkrijk der Nederlanden in de Republiek Indonesië, zulks ter beoordeling van Onze Hoge Commissaris.

Artikel 11. 1. De voorzitter, de tweede voorzitter, de leden, het vertegenwoordigende lid, de plaatsvervangende leden, de secretarissen en de gedelegeerden kunnen bij met redenen omklede beschikking worden ontslagen:

a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;

b. wegens verandering van woonplaats.

2. Zij worden, behoudens in geval van ontslag op verzoek, bij met redenen omklede beschikking ontslagen:

a. bij gebleken ongeschiktheid ten gevolge van ziekte;

b. wanneer zij in strijd handelen met de verplichtingen, waartoe zij zich onder ede (verklaring of belofte) hebben verbonden;

c. in dien zij rechtstreeks of zijdelings in dienst treden van of werkzaam worden gesteld bij de Republiek Indonesië of een overheidslichaam of overheidsinstelling van die Republiek.

3. Ontslag wordt verleend door het tot benoeming bevoegde gezag.

HOOFDSTUK IV

Van de werkwijze der commissie

Artikel 12. 1. Zaken, tot welker beslissing de commissie bevoegd is, kunnen aanhangig worden gemaakt door:

a. Onze Minister, b. Onze Hoge Commissaris, c. de betrokken overheidsdienaar, d. de betrokken gewezen overheidsdienaar, e. ieder van de betrokken nagelaten betrekkingen. 2. Het aanhangig maken geschiedt bij verzoekschrift.

3. De verzoeker kan een gemachtigde aanwijzen om namens hem een zaak aanhangig te maken of hem bij de behandeling te vertegenwoordigen.

4. Indien een vertegenwoordigend lid is aangesteld, is de belanghebbende, die tijdens het aanhangig maken van zijn zaak zich binnen het rechtsgebied van de Republiek Indonesië bevindt, verplicht het daartoe strekkende verzoekschrift bij de commissie in te dienen door tussenkomst van het vertegenwoordigende lid.

5. Zowel de commissie als het vertegenwoordigende lid kunnen ambtshalve zaken in behandeling nemen, met inbegrip van zaken, waarbij een groep van overheidsdienaren is betrokken.

6. De belanghebbende als bedoeld in lid 1 onder c, d of e of diens gemachtigde wordt op daartoe door hem gedaan verzoek door de commissie gehoord, met dien verstande, dat de commissie bevoegd is dit verhoor op te dragen aan het vertegenwoordigende lid.

Artikel 13. 1. De voorzitter roept de commissie bijeen, zo vaak als hij dit nodig oordeelt. Hij heeft de leiding van de vergaderingen.

2. De commissie stelt onverwijld een reglement van orde vast, waarbij rekening wordt gehouden met het bepaalde in de volgende leden. Het reglement van orde, zomede wijzigingen daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

3. Aan de beraadslaging en de beslissing nemen deel de voorzitter of de tweede voorzitter dan wel de plaatsvervangende

voorzitter, bedoeld in het volgende lid, en twee van de leden of plaatsvervangende leden.

4. Bij ontstentenis of wettige reden van verhindering van de voorzitter treedt de tweede voorzitter in zijn plaats. Bij ontstentenis of wettige reden van verhindering van de voorzitter en van de tweede voorzitter treedt het in leeftijd oudste lid als plaatsvervangend voorzitter op.

5. De voorzitter draagt zorg, dat aan de beraadslaging en de beslissing over een zaak niet wordt deelgenomen door een persoon, die een rechtstreeks of zijdelings persoonlijk belang heeft bij die beslissing.

6. De commissie streeft naar eenstemmige beslissing. Kan eenstemmigheid niet worden verkregen, dan wordt een beslissing genomen bij meerderheid van stemmen.

Artikel 14. 1. De commissie, het vertegenwoordigende lid en de gedelegeerden, voor zover hun zulks door het vertegenwoordigende lid is opgedragen, zijn bevoegd personen tot het geven van inlichtingen te horen en schriftelijk die inlichtingen te vragen, welke zij in het belang van het onderzoek nodig achten.

2. De commissie kan een onderzoek omtrent bepaalde op te geven punten opdragen aan de voorzitter, de tweede voorzitter, aan een of twee van haar leden of plaatsvervangende leden dan wel aan het vertegenwoordigende lid. Deze opdracht houdt mede de bevoegdheid in, welke in het vorige lid is omschreven.

Artikel 15. De beslissing wordt met redenen omkleed, in geschrift gebracht en ondertekend door al degenen, die in de eindbeslissing stemgerechtigd zijn geweest. Een door de voorzitter of secretaris ondertekend afschrift wordt zo spoedig mogelijk toegezonden aan Onze Minister, Onze Hoge Commisaris, het vertegenwoordigende lid en ieder der belanghebbenden.

Artikel 16. 1. Door Ons dan wel door Onze Minister kunnen aan de commissie zodanige werkzaamheden, het nemen van beslissingen daarbij inbegrepen, worden opgedragen als voor een juiste uitvoering van de Garantiewet en van Onze daarop steunende besluiten nodig worden geacht.

2. De commissie dan wel het vertegenwoordigende lid geven desgevraagd aan Onze Minister en, wat betreft het vertegenwoordigende lid, ook aan Onze Hoge Commissaris advies over de toepassing van de Garantiewet en van de ter uitvoering van deze wet vastgestelde regelingen.

3. Alvorens een voordracht te doen als bedoeld in artikel 9 van de Garantiewet wordt de commissie gehoord.

HOOFDSTUK V Van beroep

Artikel 17. 1. Tegen de beslissingen, genomen door de commissie, kan een belanghebbende, als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder c, d of e dan wel een door deze voor de behandeling van de zaak aangewezen gemachtigde, in beroep komen bij Onze Minister.

2. Het beroep wordt bij verzoekschrift ingesteld binnen 60 dagen na de dag, waarop de eindbeslissing is genomen.

3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen verlenging van de in het vorige lid genoemde termijn toestaan.

Artikel 18. Wanneer Onze Minister van oordeel is, dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan hij aan de commissie opdragen een nader onderzoek in te stellen en daarover binnen een door hem te bepalen termijn verslag uit te brengen.

Artikel 19. 1. Behoudens in geval van niet ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet in acht nemen van de voorgeschreven termijn, neemt Onze Minister een beschikking, waarbij hetzij de beslissing van de commissie wordt bevestigd met overneming, verbetering of aanvulling van de gronden, hetzij die beslissing geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd en wordt gedaan, hetgeen de commissie had behoren te doen, met dien verstande, dat de beschikking van Onze Minister voor de belanghebbenden niet ongunstiger mag zijn dan de beslissing, waartegen het beroep is ingesteld, noch in ongunstige zin mag

Sluiten