Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij tussen 30 September 1946 en 1 Januari 1948 bezoldigd is geweest volgens een algemeen geldende Rijksbezoldigingsregeling, een uitkering toegekend, gelijk aan het verschil tussen de wedde en vergoedingen, welke hij — nog geen 46 jaar oud zijnde — in een ambtelijke functie gedurende zijn dienstverband in vorenomschreven tijdvak, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, als gehuwde zou hebben ontvangen, en de wedde en vergoedingen, welke voor hem — nog geen 46 jaar oud zijnde — gedurende bedoeld tijdvak hebben gegolden.

Van het in het vorige lid bedoelde tijdvak blijft voor de vaststelling van de uitkering buiten aanmerking de tijd, welke meer dan 5 jaar vooraf gaat aan de dag van het huwelijk.

Artikel 17. Op de wedde, welke de in artikel 1 bedoelde ambtenaar toekomt over het tijdvak 1 Januari 1948 tot de eerste van de maand, volgende op die waarin de ambtenaar in het huwelijk is getreden, wordt een tijdelijke vermindering toegepast overeenkomende met het verschil van de wedden, welke hem bij handhaving van het Koninklijk besluit van 26 Augustus 1948 (Stb. I 395) als ongehuwd en als gehuwd ambtenaar gedurende dit tijdvak zouden zijn toegekomen.

Artikel 18. De tegemoetkomingen en vergoedingen, uitgekeerd na 1 Januari 1948, krachtens het Verplaatsingskostenbesluit (Stb. 1946, no. G 371) en berekend op de grondslag van de bezoldiging genoten krachtens het Koninklijk besluit van 26 Augustus 1948 (Stb. I 395), blijven ongewijzigd.

Artikel 19. Met ingang van 1 Januari 1948 vervallen de artikelen 1 tot en met 8 en 10, tweede lid, van het Koninklijk besluit van 26 Augustus 1948 (Stb. I 395).

Artikel 20. Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na die der dagtekening van het Staatsblad, waarin het is geplaatst.

De aanspraken, ontleend aan de hieronder vermelde artikelen van dit besluit, worden geacht te hebben bestaan gerekend van de daarachter geplaatste datum en wel:

a. de artikelen 5, 7, 8, 12 tot en met 19 van 1 Januari 1948 af;

b. de artikelen 1 behalve voor wat betreft het bedrag van f 940.— voor de voorzitters van de Raden van Beroep te ’s-Hertogenbosch, Roermond, Arnhem en Groningen, 4, 9, 10 en 11 van 1 Januari 1950 af;

c. artikel 1 voor wat betreft het bedrag van f 940.— voor de voorzitters van de Raden van Beroep te ’s-Hertogenbosch, Roermond, Arnhem en Groningen van 1 September 1950 af;

d. de artikelen 2 en 6 van 1 Januari 1951 af;

e. artikel 3 van 16 Maart 1951 af.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 30 Juni 1953.

JULIANA.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

De Minister van Sociale Zaken

en Volksgezondheid,

J. G. SUURHOFF.

Uitgegeven de tiende Juli 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

312

WET van 18 Juni 1953 tot nadere wijziging van de begroting van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie voor het dienstjaar 1951.

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de noodzakelijkheid is gebleken van een wijziging van de begroting van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie voor het dienstjaar 1951, vastgesteld bij de wet van 28 Juni 1951, Stb. 259, zoals deze is gewijzigd bij de wet van 8 Mei 1952, Stb. 257;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

De hierna vermelde artikelen van de begroting van het Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie voor het dienstjaar 1951 worden verhoogd als volgt:

lste AFDELING

Lasten en baten der exploitatie

Lasten

Artikel wordt verhoogd met: cn mitsdien gebracht op: 1. Posterijen...........ƒ 12 226 000/123 591 000 2. Telegrafie........... 1 867 000 11 275 000 3. Telefonie ........... 10 961 000 82 978 000 4. Radio-verkeersdienst....... 547 000 4 469 000 5. Radio-distributie........ 14 324 000 14 324 000 6. Technische verzorging zendmiddelen voor de omroep en luistervergunningen........... 171 000 4 190 000 7. Lasten niet tot een der vorengenoemde dienstonderdelen behorende . . 3 076 000 7 489 000 9. Rijksautomobielcentrale..... 295 000 4 981 000 10. Centrale Werkplaats....... 2 754 000 5 324 000 12. Postchèque- en Girodienst .... 755 000 19 513 000 13. Rijkspostspaarbank....... 3 452 000 37 250 000 14. Rente............. 1 687 000 11 579 000 15. Afschrijvingen......... 5 659 000 66 760 000 16. Uitkering aan het Rijk ingevolge art. 6, lid 2, van de Verordening no. 67/1941 ............ 2 577 000 19 009 000 19. Baten Posterijen........... 9 099 000 126 370 000 20. Telegrafie........... 1 482 000 11 621 000 21. Telefonie ........... 19 522 000 147 975 000 22. Radio-verkeersdienst....... 3 017 000 8 632 000 23. Radio-distributie........ 13 392 000 13 392 000 24. Technische verzorging zendmiddelen voorde omroep en luistervergunningen............. 81 000 4 336 000 25. Baten niet tot een der vorengenoemde dienstonderdelen behorende . . 7 727 000 8 642 000 26. Rijksautomobielcentrale..... 132 000 6 472 000 27. Centrale Werkplaats....... 2 771 000 5 472 000 29. Postchèque- en Girodienst .... 691 000 27 346 000

Sluiten