Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Behalve voor de lijfrenten, bedoeld onder c, d en f van artikel 42, worden de contante waarden van lijfrenten en uitkeringen bij hertrouwen, berekend op grond van de gegevens der bij dit besluit gevoegde tabellen, verhoogd ter dekking van de gevolgen ener te verwachten toekomstige sterfteverlaging.

Deze verhoging bedraagt 2 % van de contante waarden, welke betrekking hebben op renten, vastgesteld krachtens artikel 40, onder 2°, en van die, welke betrekking hebben op de afkoopsom als bedoeld in artikel 43, lid 1;

4. De verhoging van de contante waarden van renten, vastgesteld krachtens artikel 37, is afhankelijk van de leeftijd van de getroffene. De op deze contante waarden bij diverse leeftijden toe te passen verhogingsfactoren zijn aangegeven in tabel II.

Artikel 5. 1. De contante waarde der renten, ingevolge artikel 42 vastgesteld voor kinderen, geboren na de dag van ingang van de renten voor de nagelaten betrekkingen van een overledene, wordt bepaald op het verschil van twee bedragen.

2. Het eerste bedrag (het aftrektal) is de contante waarde van alle renten, terzake van het overlijden van de getroffene vastgesteld, voor zover nog niet geëindigd op de dag van de geboorte der in het eerste lid bedoelde kinderen, en van de aan die renten verbonden administratiekosten, met dien verstande, dat bij de bepaling dier contante waarde rekening wordt gehouden met de leeftijden der rentetrekkende personen ten tijde van de geboorte der bovenbedoelde kinderen.

3. Het tweede bedrag (de aftrekker) is de contante waarde der renten, toegekend aan de nagelaten betrekkingen van de overledene met uitzondering van de kinderen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, en der aan die renten verbonden administratiekosten; bij de bepaling dier contante waarde is rekening te houden met de leeftijden der rentetrekkenden ten tijde van de ingang der renten.

4. Is de uitkomst der berekening negatief, dan wordt deze door O vervangen.

Artikel 6. Indien en voor zolang als de som der dagrenten aan nagelaten betrekkingen meer bedraagt dan 0,60 maal het dagloon van getroffene, wordt bij de berekening der in artikel 3 van dit besluit bedoelde contante waarden op daartoe geeigende wijze rekening gehouden met de in artikel 45 neergelegde regels omtrent de tijdelijke gehele of gedeeltelijke inhouding der diverse renten.

Artikel 7. Het pand, hetwelk dadelijk na de toekenning ener blijvende rente door een Bedrijfsvereniging is gegeven tot zekerheid voor de geregelde uitbetaling der termijnen dier blijvende rente, wordt aan die Bedrijfsvereniging teruggegeven, zodra tot zekerheid derzelfde rente pand is gegeven op de voet van artikel 8 van dit besluit.

Artikel 8. 1. Telkens na de vaststelling van een balans geeft de Bedrijfsvereniging voor de geregelde uitkering der termijnen van de te haren laste op de balansdatum lopende blijvende renten en voor de op die uitkering vallende kosten aan de Rijksverzekeringsbank een pand, dat voldoende is tot dekking van de op die balans voorkomende reserve voor deze renten, tegen overgifte van het krachtens dit artikel laatstelijk in handen van het bestuur der Bank gestelde pand.

2. Een pand als bedoeld in dit artikel is verbonden terzake van elk der in het eerste lid bedoelde blijvende renten op zichzelf.

Artikel 9. 1. Dit besluit treedt in werking op de tweede dag na die van de uitgifte van het Staatsblad, waarin het is geplaatst en werkt terug tot 31 December 1952.

2. Bij de inwerkingtreding van dit besluit vervalt het Koninklijk besluit van 30 Augustus 1923, Stb. 424, laatstelijk gewijzigd bij Ons besluit van 9 Maart 1951, Stb. 70.

Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Soestdijk, 27 Juni 1953.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken,

A. A. VAN RH1JN.

Uitgegeven de zeventiende Juli 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

Sluiten