Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onze Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Soestdijk, 13 Juli 1953.

JUI.IANA.

De Minister voor Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie,

A. C. DE BRUIJN.

De Minister van Financiën,

VAN DE KIEFT.

Uitgegeven de zevende Augustus 1953.

De Minister van Justitie a.i., BEEL.

374

B ESLUIT van 21 Juli 1953, houdende aanwijzing van een deel der ,,Van der Woudenstichting” te Delft als een inrichting, welke niet als een gesticht voor krankzinnigen wordt beschouwd, ook wanneer daarin meer dan twee krankzinnigen worden verpleegd.

Wu JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid van 14 Juli 1953, No. 8333, Directie Volksgezondheid, Afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg;

Gelet op de wet van 27 April 1884 {Stb. 96), zoals deze wet laatstelijk is gewijzigd;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Met ingang van 1 September 1953 wordt van de onder bestuur der „Van der Woudenstichting” te Delft staande inrichting van dezelfde naam aldaar het gedeelte, aangegeven met rood op de door het bestuur van genoemde stichting overgelegde tekeningen, onder de in de volgende artikelen vermelde voorwaarden, aangewezen als een inrichting, welke niet als een gesticht voor krankzinnigen wordt beschouwd, ook wanneer daarin meer dan twee krankzinnigen worden verpleegd. Wij behouden Ons voor, deze voorwaarden, wanneer dit nodig blijkt, aan te vullen of te wijzigen.

Artikel 2. In de inrichting mogen niet meer dan 46 zwakzinnigen, 13 vrouwen en 33 mannen, worden verpleegd. Het bestuur draagt ten genoegen van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid zorg voor de afscheiding der seksen behalve bij kinderen beneden de tien jaren, die gemeenschappelijk mogen worden verpleegd.

Artikel 3. Zonder toestemming van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid worden op het terrein van de inrichting geen opstallen opgericht, tenzij overeenkomstig de in artikel 1 bedoelde tekeningen, en wordt niet aan derden de beschikkingen over enig deel van het terrein gegeven.

Artikel 4. Zonder toestemming van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid worden in de gebouwen, de riolering en verdere inrichtingen op het terrein van de inrichting, zomede in de omheining van de tuinen, geen veranderingen aangebracht, welke tengevolge zouden hebben dat de inrichting niet meer geheel overeenstemt met de in artikel 1 bedoelde tekeningen.

Artikel 5. In elk voor meer dan één verpleegde bestemd slaapvertrek wordt op een duidelijk zichtbare plaats aangegeven het aantal personen, waarvoor het vertrek is bestemd.

Artikel 6. Van elke opneming en elk ontslag of overlijden van een verpleegde wordt binnen twee weken een schriftelijke kennisgeving gezonden aan de met het toezicht op de inrichting belaste Inspecteur.

Artikel 7. De voorziening in de geneeskundige dienst geschiedt ten genoegen van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Artikel 8. 1. Tot de inrichting en terreinen wordt te allen tijde vrije toegang verleend aan de in artikel 6 bedoelde Inspecteur.

2. Het bestuur, de geneeskundigen, verbonden aan de inrichting, benevens het overige, aldaar werkzame personeel geven aan de Inspecteur de door hem verlangde inlichtingen.

3. De aan de inrichting verbonden geneeskundigen maken regelmatig ten aanzien van de aan hun behandeling toevertrouwde verpleegden nauwkeurige aantekeningen, welke een duidelijk beeld geven van de voorgeschiedenis, zomede van de toestand der verpleegden in lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk opzicht, van de wijzigingen, welke deze toestand ondergaat, van bijzondere voorvallen en van hetgeen in het belang der verpleegden wordt gedaan; uit deze aantekeningen moet voorts nu en dan blijken of voortzetting van de verpleging in de inrichting nog noodzakelijk of wenselijk is. Zij worden na het ontslag of het overlijden van de verpleegde zorgvuldig bewaard gedurende vijf en twintig jaren. Van deze aantekeningen wordt aan de Inspecteur op zijn verlangen inzage gegeven.

4. De verpleegden worden niet belemmerd zich schriftelijk te wenden tot de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur, tot de Inspecteur en tot de Officier van Justitie.

5. Een verpleegde wordt ontslagen:

a. op eigen verzoek of op dat van een der ouders of van de voogd, ingeval de verpleegde staat onder ouderlijke macht of voogdij;

b. op schriftelijke verklaring van de geneeskundige, of, zo er meer zijn, van de eerste geneeskundige, dat zijn of haar verpleging in de inrichting niet langer noodzakelijk of wenselijk is;

c. op verlangen van de Inspecteur.

6. In acht genomen worden de nadere voorschriften, welke door Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid ten aanzien van het bepaalde in dit artikel mochten worden gegeven.

Artikel 9, Het bestuur draagt zorg, dat een afschrift van dit besluit en van de Ministeriële beschikkingen, bedoeld in de artikelen 3, 4, 7 en 8, zomede een copie van de in artikel 1 bedoelde tekeningen aanwezig zijn in de inrichting en aan de Inspecteur, zomede aan de Officier van Justitie, te allen tijde op verlangen ter inzage worden voorgelegd.

Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Soestdijk, 21 Juli 1953.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,

P. MUNTENDAM.

Uitgegeven de zevende Augustus 1953.

De Minister van Justitie a.i., BEEL.

Sluiten