Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

430

BESLUIT van 14 Augustus 1953, houdende schorsing van het besluit van Burgemeester en Wethouders van Waalwijk van 25 Juli 1953, krachtens artikel 12, onder a, der Winkelsluitingswet 1951 (Stb. 1952, 38).

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 13 Augustus 1953, no. 31507’IW, Directie voor Wetgeving en Andere Juridische Aangelegenheden, tot schorsing van het besluit van Burgemeester en Wethouders van Waalwijk van 25 Juli 1953, waarbij met toepassing van artikel 12, onder a, der Winkelsluitingswet 1951 (Stb. 1952, 38) voor de Zondagen, vallende in het tijdvak van 15 tot en met 31 Augustus 1953, ontheffing wordt verleend van de in de artikelen 2, 8 en 10 dier wet vervatte verboden;

Overwegende, dat het wenselijk is dit besluit, hangende het onderzoek, of het in strijd is met de wet of het algemeen belang, te schorsen;

Gelet op de artikelen 185—187 der Gemeentewet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

bovengenoemd besluit van Burgemeester en Wethouders van Waalwijk te schorsen tot 1 December 1953.

Onze Minister van Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Soestdijk, 14 Augustus 1953.

JULIANA.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

G. M. J. VELDKAMP.

Uitgegeven de acht en twintigste Augustus 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

431

BESLUIT van 21 Augustus 1953 tot aanwijzing van het Hoofd van de Consulaire Afdeling van het Hoge Commissariaat te Djakarta als belast met de afgifte van monsterboekjes.

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Gelet op artikel 451b van het Wetboek van Koophandel, alsmede op artikel 19 van het Schepelingenbesluit;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie a.i. van 14 Augustus 1953, 6e Afdeling, no. 2207;

Hebben goedgevonden en verstaan:

met ingang van 1 September 1953 aan te wijzen als ambtenaar van aanmonstering, belast met de afgifte van monsterboekjes:

Het Hoofd van de Consulaire afdeling van het Hoge Commissariaat van het Koninkrijk der Nederlanden te Djakarta.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van oit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Soestdijk, 21 Augustus 1953.

JULIANA.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

Uitgegeven de acht en twintigste Augustus 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

432

WET van 7 Augustus 1953, houdende voorzieningen met betrekking tot de immunisatie van militairen, (Wet immunisatie militairen.)

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is wettelijke voorzieningen te treffen met betrekking tot de immunisatie van militairen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1. Deze wet verstaat onder:

„Onze Minister”: de Minister van Marine, indien het de immunisatie van een militair der zeemacht of de Minister van Oorlog, indien het de immunisatie van een militair van de landmacht betreft;

„Immunisatie”: zowel vaccinatie en revaccinatie tegen pokken als iedere andere inenting en herinenting.

Artikel 2. Onze Minister is tot 1 Januari 1962 bevoegd militairen de verplichting op te leggen zich aan vaccinatie voor de eerste maal tegen pokken te onderwerpen.

Artikel 3. 1. Onze Minister is bevoegd militairen de verplichting op te leggen zich, ter voorkoming van optreden of verspreiding van ziekten in de strijdkrachten, aan revaccinatie tegen pokken en aan iedere door hem nodig geoordeelde inenting en herinenting tegen andere ziekten, te onderwerpen.

2. Onze Minister legt de in het eerste lid bedoelde verplichting niet op dan overeenkomstig het advies van een door of namens hem ingestelde commissie van deskundigen.

Artikel 4. De in de artikelen 2 en 3 bedoelde maatregelen vinden niet plaats dan met inachtneming van de door Onze Minister ter uitvoering van de wet gestelde regelen.

Artikel 5. De militair, alsmede, indien de militair minderjarig is, degene die de ouderlijke macht of de voogdij over hem uitoefent, die op gronden ontleend aan zijn of haar godsdienstige overtuiging gewetensbezwaren heeft tegen immunisatie, kan zich met een met redenen omkleed verzoekschrift tot het verkrijgen van vrijstelling van de aan hem of de onder zijn of haar ouderlijke macht of voogdij staande militair opgelegde vernlichting tot Onze Minister wenden.

Onze Minister beslist op dit verzoekschrift, na advies van een door of namens hem ingestelde commissie.

Bij erkenning van de gewetensbezwaren door Onze Minister wordt de militair blijvend van de immunisatie vrijgesteld. Van de dag af, waarop het verzoekschrift is ingediend, tot de dag, waarop de beslissing door Onze Minister is genomen, wordt de immunisatie achterwege gelaten.

Artikel 6. De militair, voor wie op geneeskundige gronden '■en bijzonder gevaar van de immunisatie is te duchten, wordt, op de wijze door Onze Minister bepaald, tijdelijk of blijvend van één of meer immunisatiemaatregelen vrijgesteld.

De militair, die van mening is, dat zijn gezondheidstoestand daartoe aanleiding geeft, kan onder overlegging van een verklaring van een geneeskundige een verzoek om vrijstelling, als in het voorgaand lid bedoeld, indienen.

Onze Minister kan op dit verzoekschrift slechts afwijzend beslissen in overeenstemming met het advies van een door of namens hem ingestelde commissie van geneeskundigen.

Vanaf de dag, waarop het verzoekschrift is ingediend, tot de dag, waarop de beslissing door Onze Minister is genomen, wordt de immunisatie achterwege gelaten.

Sluiten