Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 8. 1. Indien één der partijen stelt, dat andere dan landbouwkundige factoren de waarde van het land mede bepalen, beslist de Grondkamer omtrent de tegenpraestatie met inachtneming van het oordeel van het Prijzenbureau, tenzij op grond van de artikelen 6 en 7 een hogere prijs toelaatbaar is.

2. Het Prijzenbureau beoordeelt de tegenpraestatie met overeenkomstige toepassing van artikel 2 van het Vervreemdingsbesluit niet-landbouwgronden, met dien verstande, dat, indien naar zijn oordeel slechts landbouwkundige factoren de waarde van het land bepalen, het Prijzenbureau zich tot dit oordeel beperkt.

Artikel 9. Alvorens te beslissen op het verzoek om goedkeuring onderzoekt de Grondkamer:

1°. of de bedongen tegenpraestatie beantwoordt aan het daaromtrent bepaalde bij of krachtens de artikelen 6 — 8 ;

2°. of de overeenkomst zou leiden tot:

a. een ondoelmatige verkaveling of een ondoelmatige ligging van het land ten opzichte van de bedrijfsgebouwen;

b. een zodanige geringe bedrijfsgrootte, dat de ondernemer zijn volledige arbeidskracht op het bedrijf niet productief kan maken;

c. gebruik van land ter verkrijging van neveninkomsten anders dan voor zelfvoorziening;

d. afscheiding van het land van de gebouwen, voor zover daardoor een goede exploitatie van het land, van de gebouwen of van beide ernstig wordt geschaad;

3°. of de pachter van het land, die in het bezit is van een pachtovereenkomst, welke voor tenminste de v/ettelijke duur is aangegaan of vastgelegd en voorzover nodig goedgekeurd, zonder ernstige redenen niet in de gelegenheid is gesteld om teger, de hoogst toelaatbare tegenpraestatie eigenaar of zakelijk gerechtigde te worden. Als ernstige reden wordt steeds beschouwd de omstandigheid, dat de verkrijger is echtgenoot, een bloed- of aanverwant in de rech.e .ijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of een pleegkind van de eigenaar of van de zakelijk gerechtigde, of de Staat, een (Tovincie, een gemeente, een waterschap, eeu veenschap of een veenpolder, alsmede de omstandigheid, dat de pachter een slecht ïandgebruiker is.

Artikel 10. 1. Na het in artikel 9 bedoelde onderzoek deelt de Grondkamer oij aangetekende brief aan partijen de bezwaren mede, welke bij haar mochten bestaan en stelt hen 'r. de gelegenheid schriftelijke opmerkingen te maken en desverlangd te worden gehoord.

2. Indien partijen bereid zijn aan de door de Grondkamer voorgestelde wijzigingen tegemoet te komen, stelt zij hen in de gelegenheid de overeenkomst te wijzigen.

Artikel 11. 1. De Grondkamer verleent haar goedkeuring tenzij:

a. de bedongen tegenpraestatie hoger is dan ingevolge het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6—8 is toegelaten;

b. de overeenkomst zou leiden tot een van de in artikel 9, onder 2°. genoemde gevolgen;

c. de pachter, als bedoeld in artikel 9 onder 3°, zonder ernstige redenen niet in de gelegenheid is gesteld om tegen de hoogst toelaatbare tegenpraestatie eigenaar of zakelijk gerechtigde te worden en overdracht aan de pachter niet zou leiden tot een van de in artikel 9 onder 2° genoemde gevolgen.

2. Indien de overeenkomst zou leiden tot een van de in artikel 9 onder 2°. genoemde gevolgen, kan de Grondkamer haar goedkeuring verlenen, wanneer weigering op grond van bijzondere omstandigheden onredelijk zou zijn of zou indruisen tegen het landbouwbelang.

3. Indien de Grondkamer beslist, dat voor de eigenaar of de zakelijk gerechtigde ernstige redenen bestonden om de pachter niet in de gelegenheid te stellen tegen de hoogst toelaatbare tegenpraestatie eigenaar of zakelijk gerechtigde te worden, bepaalt zij in haar beschikking, dat de overschrijving in de openbare registers slechts kan geschieden, indien wordt overgelegd een verklaring van de pachter, dat hij van hoger beroep afziet, dan wel een verklaring van de griffier van de Centrale Grondkamer, dat geen hoger beroep is ingesteld.

Artikel 12. Indien de Grondkamer haar goedkeuring aan de overeenkomst onthoudt, verklaart zij deze nietig bij een met redenen omklede beschikking.

Artikel 13. Indien de verkrijger aannemelijk maakt, dat hij het land voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen gebruiken en uit een verklaring van Gedeputeerde Staten blijkt, dat geen geldende bestemmingsregeling zich tegen het gebruik voor andere dan landbouwkundige doeleinden verzet, beoordeelt de Grondkamer slechts, of de tegenpraestatie voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6—8.

Artikel 14. Ten aanzien van een overeenkomst, waarbij de Staat, een provincie, een gemeente, een waterschap, een veenschap of een veenpolder bedongen heeft land of een zakelijk recht op land te verkrijgen, beoordeelt de Grondkamer slechts of de tegenpraestatie voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6—8.

TITEL III

Bepalingen met betrekking tot verkoop in het openbaar

Artikel 15. 1. Verkoop in het openbaar van land of van een zakelijk recht op land kan slechts plaatsvinden, indien de Grondkamer hiertoe tevoren verlof heeft gegeven.

2. Het verlof wordt gegeven, tenzij de verkoop zou leiden tot de gevolgen, vermeld in artikel 9, 2°. onder a, b of d; het bepaalde in het tweede lid van artikel 11 is hierbij van overeenkomstige toepassing.

3. Ingeval van verkoop krachtens wetsbepaling, krachtens een bevel des rechters, bij een executoriale verkoop en bij een verkoop krachtens een beding, als bedoeld in artikel 1223, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek verleent de Grondkamer het verlof zonder nader onderzoek.

Artikel 16. 1. Het verzoek om verlof tot verkoop in het openbaar wordt ingediend door de notaris, die met de verkoop is belast, op een bij de Grondkamer verkrijgbaar formulier en onder overlegging van de veilingsvoorwaarden, alsmede van een kadastrale kaart van het onroerend goed, waarop het verzoek om verlof betrekking heeft.

2. Indien bij de Grondkamer bezwaren bestaan tegen de inwilliging van het verzoek wordt, alvorens de Grondkamer beslist, degene, te wiens name het verzoek is ingediend, gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.

3. Bij het verlenen van verlof stelt de Grondkamer met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6—8 de maximumprijs vast, welke in de veilingsvoorwaarden moet worden vermeld.

4. De Grondkamer stelt de maximumprijs niet lager vast dan de som van de hypothecaire schulden met renten en kosten, welke op 9 Mei 1940 op het land waren gevestigd, voorzover zij op het tijdstip van inzending van het verzoek nog bestaan.

5. Het in het eerste lid bedoelde formulier wordt door Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening vastgesteld.

Artikel 17. 1. Onze Minister van Justitie kan anderen dan notarissen bevoegd verklaren het verzoek, in het vorig artikel bedoeld, bij de Grondkamer in te dienen.

Sluiten