is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1953, no. 400-501, 01-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 31. Deze wet is niet van toepassing op de ruilverkavelingsovereenkomst, indien daarin krachtens het bepaalde bij artikel 6 van de Ruilverkavelingswet 1938 bepalingen van de Derde Titel van die wet van toepassing zijn verklaard.

Artikel 32. Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van rechtshandelingen, waarvan een akte is opgemaakt, welke voor de dag van het inwerkingtreden van deze wet een zekere dagtekening heeft verkregen, en evenmin ten aanzien van rechtshandelingen, welke ter uitvoering van eerstbedoelde rechtshandelingen plaatsvinden.

Artikel 33. In de Wet op de economische delicten wordt in artikel 1, onder 3° na het gestelde onder toegevoegd:

„ k. de Wet op de vervreemding van landbouwgronden”.

Artikel 34. Het Vervreemdingsbesluit onroerende zaken (Verordeningenblad 1942, No. 49), zoals dit in gewijzigde vorm voorlopig is gehandhaafd bij het Besluit Bezettingsmaatregelen (Stb. E 93) en nader is gewijzigd bij artikel 31 van de Huurwet (Stb. K 452), ondergaat de volgende wijzigingen:

a. In artikel 1, eerste lid, wordt het bepaalde onder 1) gelezen:

„onroerende zaken”:

a) onroerende goederen met uitzondering van die, waarop de Wet op de vervreemding van landbouwgronden van toepassing is,

b) rechten van erfpacht, opstal, beklemming en vruchtgebruik, voor zover deze rechten geen betrekking hebben op onroerende goederen, waarop de Wet op de vervreemding van landbouwgronden van toepassing is.

b. Artikel 2, tweede lid wordt gelezen:

Het eerste lid is mede van toepassing bij vestiging, verlenging, wijziging of overdracht van rechten van erfpacht, opstal, beklemming of vruchtgebruik.

c. In artikel 3, eerste lid wordt in plaats van „vestiging of verlenging” gelezen: „vestiging, verlenging, wijziging of overdracht”.

d. Artikel 6, eerste lid wordt gelezen:

De overschrijving van een akte van overdracht van een onroerend goed, hetwelk naar het oordeel van het Prijzenbureau als onroerende zaak in de zin van dit besluit moet worden beschouwd of van vestiging, verlenging, wijziging of overdracht van een recht van erfpacht, opstal, beklemming of van vruchtgebruik op zodanig onroerend goed, vindt slechts plaats, indien een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 3 of een vaststelling als bedoeld in artikel 4 wordt overgelegd.

e. Na het eerste lid van artikel 6 wordt een nieuw lid ingevoegd, genummerd 2, luidende als volgt:

2. Indien de Grondkamer zich onbevoegd heeft verklaard op grond, dat het onroerend goed geen land in de zin van de

Wet op de vervreemding van landbouwgronden is, of heeft verklaard, dat die Wet niet van toepassing is, is het Prijzenbureau bevoegd, zelfs indien het zich tevoren onbevoegd heeft verklaard.

ƒ. Artikel 6, tweede lid wordt genummerd: 3.

g. Artikel 10, tweede lid wordt gelezen:

Het kan worden aangehaald als: „Vervreemdingsbesluit nietlandbouwgronden”.

Artikel 35. 1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet op de vervreemding van landbouwgronden.

2. Zij treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

3. Zij vervalt op 1 Januari 1959.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 7 Augustus 1953.

JULIANA.

De Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening a.i.,

C. STAF.

De Minister van Justitie a.i.,

BEEL.

De Minister van Economische Zaken a.i., A. C. DE BRUIJN.

De Minister van Financiën,

VAN DE KIEFT.

De Minister van Binnenlandse Zaken.

BEEL.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting a.i.,

J. ALGERA.

Uitgegeven de achtste September 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: buTHand. TI 47/48, 894; Bijl. Hand II 48/49, 894; Bijl. Hand. II 49/50, 894; Bijl. Hand. II 50/51, 894; Bijl. Hand. II 51/52, 894; Bijl. Hand. II 52/53, 894; Hand. II 52/53, bladz. 3561—3582, 3587— 3661, 3663—3684 en 3691—3692. Bijl. Hand. I 52/53, 894; Hand. I 52/53, bladz. 3415—3449.