Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 4. 1 . De aanduiding „koelhuiseieren” moet worden gebezigd voor eieren, welke in een koelinrichting aanwezig zijn of aanwezig zijn geweest, ongeacht de duur dier aanwezigheid.

2. Onder „koelinrichting” of „koelhuis” wordt in dit besluit verstaan een ruimte, welke op kunstmatige wijze kan worden afgekoeld.

3. Als koelinrichting wordt in dit besluit niet beschouwd een lokaliteit, welke bestemd is om eieren uitsluitend af te koelen en te houden op een temperatuur niet lager dan 13 °C„ mits de directeur van de keuringsdienst schriftelijk vergunning heeft verleend tot de aanduiding van de aldus bewaarde eieren als „verse eieren”. Aan deze vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden, welke de juiste bewaring waarborgen.

De directeur van de keuringsdienst kan de vergunning intrekken, indien naar zijn oordeel aan de gestelde voorwaarden niet of niet meer wordt voldaan. Hij deelt zijn beslissing tot weigeren, verlenen of intrekken van een vergunning binnen een week na de datum, waarop deze is genomen, schriftelijk mede aan de belanghebbende. De belanghebbende kan van de beslissing van de directeur van de keuringsdienst binnen drie weken, nadat hem deze is medegedeeld en onder overlegging daarvan, in beroep gaan bij Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, die hierop binnen twee maanden beslist en een afschrift van zijn beslissing aan de directeur van de keuringsdienst en aan de belanghebbende toezendt.

Hangende het beroep mag de koelinstallatie, bestemd voor het koelen van de lokaliteit, als vorenbedoeld, niet worden gebruikt.

4. De in lid 1 bedoelde eieren moeten van een of meer duidelijk en duurzame stempels zijn voorzien, zoals door Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, is bepaald en mogen niet zijn voorzien van andere stempels, dan die op grond van het bepaalde in de artikelen 7, 8 en 12, lid 1, ol op grond van enig ander wettelijk voorschrift op eieren moeten of mogen worden aangebracht.

5. Het bepaalde in lid 4 is niet van toepassing op eieren bestemd voor uitvoer naar die landen, waar invoer van ongestempelde eieren niet is verboden, indien bij die eieren zich een schriftelijke verklaring bevindt, afgegeven door of namens de Minister, met de uitvoering van de Landbouwuitvoerwei (Stb. 1929, No. 277) belast, onder door die Minister te stellen voorwaarden. Deze eieren moeten in een afzonderlijk deel van een koelinrichting zijn opgeslagen, waar andere eieren niet aanwezig zijn; zij mogen slechts worden vervoerd van de koelinrichting rechtstreeks naar een kantoor van uitvoer, mits vergezeld van een geleidebiljet, afgegeven door of namens genoemde Minister. De verklaring of het geleidebiljet moet op eerste vordering worden getoond aan de ambtenaren, belast met het toezicht op de uitvoering van de Warenwet (Stb. 1935, No. 793) of van de Landbouwuitvoerwet (Stb. 1929, No. 277).

Artikel 5. 1. De aanduiding „geconserveerde eieren” moet worden gebezigd voor eieren, welke door inleggen in een vloeistof (bijvoorbeeld waterglas) of op enige andere wijze, anders dan door afkoeling, ter wering van bederf worden of zijn bewaard. Eieren, welke door inleggen in kalkwater zijn geconserveerd, moeten als „kalkeieren” worden aangeduid.

2. De in lid 1 bedoelde eieren moeten zijn voorzien van een of meer duidelijke en duurzame stempels, zoals door Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, is bepaald en mogen niet voorzien zijn van andere stempels, dan die op grond van het bepaalde in de artikelen 4, 7, 8 en 12, lid 1, of op grond van enig ander wettelijk voorschrift op eieren moeten of mogen worden aangebracht.

Artikel 6. Het bewaren van eieren onder wering van bederf door koeling, inlegging in enige vloeistof of op enige andere wijze, anders dan voor gebruik in het bedrijf van hem, die de eieren bewaart, mag slechts geschieden na schriftelijke kennisgeving aan de directeur van de keuringsdienst en aan het Hoofd van de Voorlichtingsdienst van de Pluimveeteelt.

Artikel 7. 1. Indien eieren uit het buitenland zijn of worden ingevoerd, moet in de aanduiding, welke krachtens artikel 2, lid 1, moet worden gebezigd, het woord „buitenlandse” worden opgenomen.

Het is geoorloofd, in plaats van „buitenlandse” een duidelijke aanduiding van het land van herkomst te bezigen.

2. Ten aanzien van de stempeling der in lid 1 bedoelde eieren gelden de bepalingen van de wet van 31 Mei 1929 (Stb. 276), houdende bepalingen betreffende de in- en doorvoer van kippen- en eendeneieren, zoals deze wet nader is gewijzigd. Buitenlandse eieren mogen niet zijn voorzien van andere stempels, dan die op grond van het bepaalde in de artikelen 4, 5 en 12, lid 1, of op grond van enig ander wettelijk voorschrift, of van wettelijke bepalingen van het land van herkomst op eieren moeten worden aangebracht.

Artikel 8. 1. De aanduiding „eieren tweede soort” moet worden gebezigd voor alle andere eieren dan die, bedoeld in de artikelen 3, 4, 5 en 7 en die, welke zijn voorzien van enige aanduiding, aangebracht op grond van artikel 2, lid 1, onder g.; zij behoeft echter niet te worden gebezigd voor eieren, welke zijn voorzien van het stempel „gepasteuriseerd” of „gepast.”.

2. De in lid 1 bedoelde eieren moeten zijn voorzien van een of meer duidelijke en duurzame stempels, zoals door Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, is bepaald en mogen niet zijn voorzien van andere stempels, dan die op grond van het bepaalde in de artikelen 4, 5 en 12, lid 1, of op grond van enig ander wettelijk voorschrift op eieren moeten of mogen worden aangebracht.

Artikel 9. 1. De eieren, bedoeld in de artikelen 4, 5, 7 en 8, moeten voldoen aan de volgende eisen:

a. hun inhoud mag geen afwijkende geur of smaak bezitten en moet in deugdelijke toestand verkeren;

b. hun inhoud moet bij schouwing vrij zijn van duidelijk zichtbare vlekken of stippen.

2. Voor de eieren, bedoeld in de artikelen 7 en 8 geldt de onder b bedoelde eis niet, indien de vlekken of stippen door bloed zijn veroorzaakt.

Artikel 10. Eieren mogen geen kentekenen vertonen, dat zij geheel of ten dele van stempels zijn ontdaan; zij mogen jeen onleesbaar gemaakte of onleesbare stempels dragen. Op eieren mogen misleidende of onjuiste aanduidingen niet voorkomen.

Artikel 11. 1. De voorwerpen, waarin eieren worden vervoerd, of op markten, in winkels of op andere voor het publiek toegankelijke plaatsen ten verkoop of ter aflevering aanwezig zijn, moeten aan de buitenzijde zijn voorzien van de aanduidingen, overeenkomstig het bepaalde in de de artikelen 2 en 7.

2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing:

a. op de voorwerpen, waarin zich uitsluitend verse kippeneieren bevinden;

b. op de voorwerpen, waarin zich uitsluitend buitenlandse eieren bevinden tijdens het vervoer of tijdens het verblijf in de .koelhuizen, bedoeld in artikel 4, lid 3, van de wet van 31 Mei 1929 (Stb. 276), houdende bepalingen betreffende de in- en doorvoer van kippen- en eendeneieren, zoals deze wet nader is gewijzigd.

3. De aanduidingen, in lid 1 bedoeld, mogen niet door vegen zijn uit te wissen, moeten duidelijk leesbaar en voor het publiek zichtbaar zijn aangebracht met Latijnse hoofddrukletters, welke een hoogte hebben van tenminste 5 mm bij een lijndikte van tenminste 0.5 mm, bij andere voorwerpen dan kisten op deze voorwerpen zelf of op een bord onmiddelhjk boven de eieren aangebracht.

4. Op de voorwerpen, bedoeld in lid 1, mogen misleidende of onjuiste aanduidingen niet voorkomen.

5. Het pakmateriaal voor eieren moet droog, reukloos en zindelijk zijn.

Sluiten