Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

BESLUIT van 18 December 1953, houdende algemene regelen als bedoeld in artikel 6 van de Wet op de vervreemding van landbouwgronden (Stb. 1953, 446).

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 26 November 1953, No. 10.402/ 82 W, Afd. Wetgeving en Juridische Zaken/L;

Gelet op artikel 6 van de Wet op de vervreemding van landbouwgronden;

Gezien de adviezen van de Stichting voor de Landbouw, van de Vereniging het Grondbezit en van de Bond van Landpachters en Hypotheekboeren;

De Raad van State gehoord (advies van 15 December 1953, No. 48);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 18 December 1953, No. 10.455/82 W, Afd. Wetgeving en Juridische Zaken/L;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1

De bepaling van de koopwaarde

Artikel 1. Dit besluit verstaat onder „Wet”: Wet op de vervreemding van landbouwgronden.

Artikel 2. 1. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor los land of land zonder de daarbij behorende woningen en andere opstallen wordt bepaald door kapitalisatie van de netto pachtwaarde.

2. Als netto pachtwaarde wordt aangemerkt de door de Grondkamer geschatte pachtwaarde, verminderd met de lasten, welke op de grond drukken.

3. De schatting van de pachtwaarde geschiedt op de grondslag van de door de Grondkamer met inachtneming van artikel 9 vast te stellen normen.

4. Voor de kapitalisatie wordt voor bouw- en grasland uitgegaan van een rentepercentage van 3; de Grondkamer is bevoegd naar gelang van de omstandigheden van dit rentepercentage af te wijken, met dien verstande, dat dit, behoudens >n bijzondere gevallen, niet lager wordt vastgesteid dan op 2J en niet hoger dan op 3i.

5. Voor de kapitalisatie wordt voor tuinland uitgegaan van een rentepercentage van 5; de Grondkamer is bevoegd naar gelang van omstandigheden van dit rentepercentage af te wijken, ^et dien verstande, dat dit, behoudens in bijzondere gevallen, niet lager wordt vastgesteld dan op 4} en niet hoger dan op 5i.

6. Indien de Grondkamer van oordeel is, dat de mogelijkheid, dat bouw- of grasland de bestemming als tuingrond zal verkrijgen, de waarde mede bepaalt, is zij bevoegd bij de bepaling van de hoogst toelaatbare tegenpraestatie daarmede re kening te houden, met dien verstande, dat deze niet op een gelijk of hoger bedrag wordt bepaald dan uit de toepassing van het vijfde lid zou voortvloeien.

Artikel 3. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor boomgaarden, zonder de daarbij behorende woningen en andere opvallen, wordt als volgt bepaald:

a. voor de bepaling van de waarde van het land, zonder e boomopstand, is het bepaalde in artikel 2 van overeen°tnstige toepassing;

b. voor de bepaling van de waarde van de boomopstand worden de gebruikswaarde en de leeftijd in aanmerking genomen.

Artikel 4. 1. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor bij een landbouwbedrijf behorende woningen en andere opstallen wordt, behoudens het gestelde in het vierde lid en in artikel 5, bepaald door de geschatte pachtwaarde te vermenigvuldigen met een factor, als in het derde lid is omschreven.

2. De schatting van de pachtwaarde door de Grondkamer geschiedt op de grondslag van de door haar met inachtneming van artikel 10 vast te stellen normen.

3. De in het eerste lid bedoelde factor bedraagt:

a. voor het woongedeelte maximaal 30 voor nieuwbouw althans voor woningen, waaraan een maximale levensduur is toe te schrijven, en gemiddeld 20 voor woningen, waaraan nog slechts een gemiddelde levensduur is toe te schrijven;

b. voor de bedrijfsgebouwen maximaal 20 voor nieuwbouw en voor gebouwen, waarvan een maximale levensduur op grond van hun constructie is te verwachten, en gemiddeld 15 voor gebouwen, waarvan nog slechts een gemiddelde levensduur is te verwachten.

4. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor bij een landbouwbedrijf behorende arbeiders- en dienstwoningen wordt bepaald door de huurwaarde, berekend naar de huurprijs, welke ingevolge de Huurwet zou zijn toegelaten, te vermenigvuldigen met een factor op de voet van het bepaalde in het derde lid onder a.

Artikel 5. 1. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor bij een tuinderij behorende woningen en andere opstallen wordt bepaald op de voet van het gestelde in de volgende leden.

2. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor de woning wordt bepaald door de huurwaarde, berekend naar de huurprijs, welke ingevolge de Huurwet zou zijn toegelaten, te vermenigvuldigen met een factor op de voet van het bepaalde in artikel 4, derde lid onder a.

3. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor glasopstanden wordt bepaald door de vervangingswaarde, verminderd met de afschrijving.

4. Voor de overige opstallen wordt de gebruikswaarde in aanmerking genomen.

Artikel 6. Bij de bepaling van de hoogst toelaatbare tegenpraestatie voor de bij een landbouwbedrijf behorende erven en andere gronden met inbegrip van de zich daarop bevindende houtopstanden wordt de gebruikswaarde in aanmerking genomen.

Artikel 7. De hoogst toelaatbare tegenpraestatie, welke voor een zakelijk recht, als bedoeld in artikel 1 van de Wet, verschuldigd is, wordt afgeleid van de hoogst toelaatbare tegenpraesatie, als berekend overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2—6.

Artikel 8. Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening stelt een formulier vast, dat voor de beoordeling van de hoogst toelaatbare tegenpraestatie door de Grondkamer wordt gebezigd.

§ 2

De pachtnormen

Artikel 9. Als grondslag voor de door de Grondkamers ingevolge artikel 7 van de Wet vast te stellen normen voor los land of voor land zonder de daarbij behorende woningen of andere opstallen gelden de in kolom I van onderstaande tabel vermelde bedragen, welke aangeven de pachtwaarde per hectare, per jaar voor de in het desbetreffende gebied per categorie meest voorkomende objecten. In kolom II is aan-

Sluiten