Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel II

De Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 wordt gewijzigd als volgt:

1. De artikelen 6, 81. 82, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 106a, 106i en 109a vervallen.

2. Artikel 1 wordt gelezen als volgt:

„Artikel 1

1. Deze wet verstaat onder:

a. verzekeringsplichtige onderneming: een onderneming, waarin een verzekeringsplichtig bedrijf wordt uitgeoefend;

b. verzekeringsplichtig bedrijf: een bedrijf genoemd of bedoeld in artikel 11;

c. Bank: de Rijksverzekeringsbank;

d. Landbouwongevallenfonds: het fonds, waarin gestort worden de gelden, aan de Bank toekomende krachtens deze wet;

e. Bedrijfsvereniging: een door Ons erkende vereniging van werkgevers, welke zich belast met de uitvoering van de bij deze wet geregelde verzekering;

ƒ. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

2. Onder arbeider verstaat deze wet ieder, die in dienst van de werkgever in diens onderneming in een verzekeringsplichtig bedrijf tegen loon werkzaam is.

Voor de toepassing van deze wet worden, hoewel zij geen loon genieten, als arbeiders beschouwd:

a. volontairs, leerlingen en dergelijke personen, die in verband met hun opleiding nog geen loon genieten;

b. personen beneden de leeftijd van 21 jaar;

c. personen, die van derden fooien of andere uitkeringen in geld ontvangen, welke verband houden met ten behoeve van de werkgever verrichte arbeid.

Voor de toepassing van deze wet worden inwonende, eigen, aangehuwde of stiefkinderen van de werkgever niet als arbeiders beschouwd.

3. Onder werkgever verstaat deze wet ieder natuurlijk of rechtspersoon, die anderen in dienst heeft voor de uitoefening van enig verzekeringsplichtig bedrijf.”.

3. Van artikel la vervalt de laatste volzin van het tweede lid. 4. Van artikel lc vervalt de laatste volzin van het derde lid. 5. Artikel 5 wordt gelezen als volgt:

„Artikel 5

1. Deze wet verstaat onder loon het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

2. Loon, door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt, voorzover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn genoten.

3. Het loon van arbeiders, die voor de werkgever ook werkzaamheden of diensten verrichten, welke niet tot het verzekeringsplichtige bedrijf behoren, wordt, voorzover het is verdiend op dagen, waarop de arbeider in de onderneming van zijn werkgever tevens in het verzekeringsplichtige bedrijf heeft gewerkt, voor de toepassing van deze wet geacht geheel in het verzekeringsplichtige bedrijf te zijn verdiend.”.

6. Artikel 7 wordt gelezen als volgt:

„Artikel 7

1. Onder dagloon verstaat deze wet het loon, dat een arbeider, toen het ongeval hem trof, gemiddeld per dag genoot in de onderneming, waarin het ongeval plaats greep. Onder genoten loon wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het verdiende loon, ook al is dit niet of niet geheel uitbetaald.

2. Voor de berekening van het dagloon gelden de volgende bepalingen:

a. Indien de arbeider, toen het ongeval hem trof, reeds een jaar werkzaam was in de onderneming, waarin het ongeval plaats greep, wordt het loon, door hem van zijn werkgever genoten gedurende het aan de dag van het ongeval voorafgaande jaar, gedeeld door het aantal dagen, waarop door hem in dat jaar voor de werkgever is gearbeid, doch door ten hoogste 313. Dagen, waarop de arbeider voor zijn werkgever niet heeft gewerkt, maar waarover hij van zijn werkgever loon heeft genoten, worden als arbeidsdagen beschouwd. Indien dat loon minder heeft bedragen dan het bedroeg in de week, welke voorafging aan de dagen, waarop niet is gewerkt, wordt het geacht gelijk te zijn aan het loon, dat in die dagen gemiddeld is genoten door gelijksoortige arbeiders in hetzelfde of in een soortgelijk bedrijf in dezelfde gemeente of in naburige gemeenten. Als arbeidsdagen worden tevens beschouwd de dagen der week, waarop de arbeider niet heeft gewerkt doordat in een onderneming, onder handhaving van het normale aantal arbeidsuren per week, een verkorte werkweek toepassing vindt.

Indien in een onderneming de arbeider, in ploegendienst werkzaam, uitsluitend tengevolge hiervan op een minder aantal dagen arbeid heeft verricht dan het normale aantal werkdagen — de nachtdienst hierbij gerekend als dienst op één werkdag — wordt hij gedurende de periode, waarin hij door het werken in ploegendienst in beslag werd genomen, geacht het normale aantal werkdagen van de week arbeid te hebben verricht.

b. Was de arbeider op de dag van het ongeval nog geen jaar werkzaam in de onder a bedoelde onderneming, dan wordt zijn dagloon geacht gelijk te zijn aan dat van een gelijksoortige arbeider, die op bedoelde dag wel een jaar werkzaam is in dezelfde of in een naburige onderneming.

Was de arbeider op de dag van het ongeval een jaar werkzaam in de onder a bedoelde onderneming, doch was hij tenminste gedurende zeven dagen in dat jaar door ziekte of ongeval verhinderd zijn gewone loon te genieten, dan wordt zijn dagloon geacht gelijk te zijn aan dat van een gelijksoortige arbeider, die op bedoelde dag eveneens een jaar werkzaam was in dezelfde of in een naburige onderneming, en niet een gedeelte van dat jaar door ziekte of ongeval verhinderd is geweest te arbeiden, indien deze op die dag een ongeval was overkomen.

c. Was de werkman op de dag van het ongeval nog geen jaar werkzaam in de onder a bedoelde onderneming, en was op die dag ook geen gelijksoortige arbeider gedurende een jaar werkzaam in dezelfde of in een naburige onderneming, dan wordt het dagloon van de arbeider geacht te bedragen een driehonderdste gedeelte van het loon, dat gedurende het aan de dag van het ongeval voorafgaande jaar gemiddeld is genoten door gelijksoortige arbeiders in hetzelfde of in een gelijksoortig bedrijf in dezelfde gemeente of in naburige gemeenten. Over de tijd, waarin de getroffene tengevolge van werkstaking of uitsluiting in dit jaar niet gewerkt heeft, wordt het loon der gelijksoortige arbeiders over die tijd geacht zoveel te bedragen als, naar verhouding, overeenkomt met het loon, dat door hen gemiddeld is genoten in de aan de staking of uitsluiting voorafgaande dertien weken.

3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister, voor bepaalde groepen van arbeiders regelen vaststellen, waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5, eerste lid, alsmede van het bepaalde in de vorige leden. Deze regelen worden in de Nederlandse Staatscourant openbaar gemaakt.

4. Indien ten aanzien van een mannelijke arbeider, op wie het bepaalde in het zesde lid van dit artikel niet van toepassing is, de berekening van het dagloon volgens de bepalingen van de voorgaande leden tot een lagere uitkomst leidt dan voor arbeiders uit dezelfde woonplaats door Ons aangegeven minimum-bedragen, wordt het dagloon gerekend het toepasselijk minimum-bedrag te zijn.

5. Indien het dagloon moet worden vastgesteld van *r en arbeider, die slechts een gedeelte van een normale werkdag in de onderneming van zijn werkgever werkzaam is, zal a zodanig gelden het dagloon van een gelijksoortige arbeide ,

Sluiten