Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den berekend naar 20 % ’s jaars van de verkoopwaarde van die meubelen of stoffering op dat tijdstip. Het hier bepaalde is van overeenkomstige toepassing telkens indien na genoemd tijdstip het gebruik of medegebruik vijf jaren of een veelvoud daarvan heeft voortgeduurd.

K

Het eerste lid van artikel 13 wordt gelezen als volgt:

(1) De huuradviescommissie brengt op bevel van de rechter een schriftelijk rapport uit, bevattende alle inlichtingen nopens de betalingsverplichting van de huurder of gewezen huurder, welke de rechter dienstig acht met betrekking tot een zaak waarin hij ingevolge deze wet moet oordelen.

L

Aan het eerste lid van artikel 17 wordt toegevoegd:

Afschrift van zijn beschikking zendt hij aan de huuradviescommissie in zijn rechtsgebied.

M

In artikel 21 wordt na de woorden „In alle gedingen tot ontruiming” ingevoegd: , gegrond op artikel 18, lid 2 onder d,.

N

Na artikel 23 wordt een nieuw artikel 23a ingevoegd, luidende als volgt:

(1) De rechter zal zich, alvorens de vordering tot ontruiming op grond van artikel 18, lid 2 onder c, toe te wijzen, omtrent de redelijkheid van de in het aanbod genoemde prijs — indien daaromtrent verschil van mening bestaat — doen voorlichten door de huuradviescommissie in zijn rechtsgebied.

(2) De rechter kan, alvorens de vordering tot ontruiming op grond van artikel 18, lid 2 onder c, toe te wijzen, de huurder of gewezen huurder, naar gelang der omstandigheden, een termijn van ten hoogste één maand gunnen om alsnog het aanbod te aanvaarden.

O

Het tweede lid van artikel 25 wordt gelezen als volgt:

(2) Ingeval een huurder of gewezen huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van een gebouwd onroerend goed of van een gedeelte daarvan, uitsluitend op grond dat de verhuurder dit goed of gedeelte voor eigen gebruik als bedoeld in artikel 18, lid 2 onder d, nodig heeft, zal, mits aannemelijk is dat de verhuurder binnen twee jaar en zes maanden voor het vonnis met het oog op dat gebruik in de rechten van de vorige verhuurder is getreden, terwijl de huurder of gewezen huurder het goed of gedeelte reeds toen als zodanig gebruikte, in het vonnis worden bepaald dat tenuitvoerlegging daarvan niet kan plaats hebben dan na verloop van drie jaren, te rekenen van het tijdstip van de rechtsopvolging. De datum waarop genoemde termijn eindigt, wordt door de rechter in het vonnis vermeld.

P

Na artikel 26 wordt een nieuw artikel 26a ingevoegd, luidende als volgt:

Indien de rechter de huurder machtigt bepaalde onderhoudswerken of reparatiën ten koste van de verhuurder te doen uitvoeren, kan hij tevens bepalen, tot welk bedrag de huurder de gemaakte kosten met de huurprijs in vergelijking kan brengen.

Q

Na artikel 27, 1ste lid, wordt ingevoegd een nieuw tweede lid, luidende:

(2) In zaken, betrekkelijk tot het onderhoud en de reparatiën, waartoe de verhuurder jegens de huurder of deze jegens eerstgenoemde verplicht is, zal de eisende partij ter griffie van het kantongerecht een verzoekschrift op ongezegeld papier indienen, waarbij de kantonrechter verzocht wordt een dag te bepalen, waarop de zaak ter terechtzitting zal worden behandeld. De artikelen \25b, derde lid, 125c en 125 d van het Wetboek

van Burgerlijke Rechtsvordering vinden overeenkomstige toepassing; overigens geschiedt de behandeling overeenkomstig de gewone regelen.

De bestaande leden 2, 3 en 4 worden vernummerd tot respectievelijk 3, 4 en 5.

In het nieuwe derde lid worden na „eerste” ingelast de woorden: en tweede.

Artikel II

Deze wet treedt in werking op 1 Januari 1954.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 24 December 1953.

JULIANA.

De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting a.i.,

J. ALGERA.

De Minister van Economische Zaken,

J. ZIJLSTRA.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

De Minister van Financiën,

VAN DE KIEFT.

Uitgegeven de vier en twintigste December 1953.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Bijl. Hand. II 52/53, 3042;

Bijl. Hand. II 53/54, 3042, Hand. II 53/54, bladz. 112—159, 162—191, 194—235, 238—272, 274—288, 290—335, 338—359, 3046—3062; Bijl. Hand. I 53/54, 3042; Hand. I 53/54, bladz. 3025—.........

581

BESLUIT van 24 December 1953 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4 van de Huurwet. (Besluit bijzondere huurprijzen 1954.)

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Economische Zaken van 8 December 1953, No. 1201624, afdeling Juridische Zaken;

Gelet op artikel 4 van de Huurwet (wet van 13 October 1950, Stb. K 452, gewijzigd bij de wet van 24 December 1953, Stb. 580;

De Raad van State gehoord (advies van 15 December 1953, No. 39);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 22 December 1953, No. 1218962, afdeling Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 . In dit besluit wordt verstaan onder Onze Minister.

Onze Minister met de zorg voor de zaken van de volkshuis vesting belast.

Sluiten