Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

BESLUIT van 22 December 1953 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de artikelen 2, 3, 4, 6, 11 lid 3 en 21 van de Stoomwet. (Stoombesluit.)

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 17 November 1953, no. 1826, Afdeling Arbeidsverhoudingen;

Gelet op de Stoomwet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 December 1953, no. 44);

Gezien het nader rapport van voornoemde Staatssecretaris van 15 December 1953, no. 1961, Afdeling Arbeidsverhoudingen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1. 1. Dit besluit verstaat onder:

Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid;

de Dienst: de Dienst voor het Stoomwezen;

het Districtshoofd: het bevoegde Districtshoofd van de Dienst;

werkdruk: de hoogste absolute druk, welke in het hoogste punt van een stoomtoestel of damptoestel of in het hoogste punt van een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, wanneer het in werking wordt gebracht, tegen de wand kan ontstaan, uitgedrukt in kilogrammen op de vierkante centimeter en aangeduid als atmosferen, verminderd met één atmosfeer;

persdruk: de absolute druk, welke in een stoomtoestel of damptoestel of in een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel bij de beproeving tegen de wand heerst, uitgedrukt in atmosferen, verminderd met één atmosfeer;

overdruk: het grootste verschil van de drukken, uitgedrukt in atmosferen, die aan weerszijden van de wand van een stoomtoestel of damptoestel of van een gedeelte van een zodanig toestel kunnen ontstaan;

bedrijfstemperatuur: de hoogste temperatuur, uitgedrukt in graden Celsius, welke in een stoomtoestel of damptoestel of 'n een afzonderlijk gedeelte van een zodanig toestel, ten gevolge v an de wijze, waarop het kan worden gebruikt, zal heersen;

verwarmd oppervlak: het wandoppervlak van een stoomtoestel of damptoestel, uitgedrukt in vierkante meters, waarmede de warmte afgevende stoffen in aanraking worden gebracht met het doel die warmte aan het toestel af te staan;

vaten: stoomtoestellen andere dan stoomketels en damptoestellen andere dan dampketels.

2. Waar in dit besluit sprake is van druk zonder nadere aanduiding, wordt bedoeld de absolute druk, uitgedrukt in atmosferen, verminderd met één atmosfeer.

In een ruimte wordt geacht geen druk te kunnen ontstaan, wanneer deze ruimte in verbinding staat met de buitenlucht door openingen, waarvan de gezamenlijke doorlaat niet kleiner * s dan de gezamenlijke doorlaat van de openingen van veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen, welke voor stoomtoestellen e D damptoestellen krachtens dit besluit zijn vereist.

3- Stoomtoestellen en damptoestellen worden geacht te Worden verhit, wanneer de bedrijfstemperatuur een waarde Van 45 graden overschrijdt.

4. Bij stoomketels en dampketels, welke door middel van electrische stroom worden verhit, wordt geacht, dat het verwarmd oppervlak een uitgestrektheid heeft gelijk aan het twintigste gedeelte van het getal, aangevende het grootste aan de ketel toe te voeren vermogen, uitgedrukt in kilowatt.

Artikel 2. Voor de uitoefening van het bij de Stoomwet voorgeschreven toezicht wordt het Rijk in zes districten verdeeld.

Het Ie district omvat: de provinciën Limburg (met het drostambt Tuddern) en Noord-Brabant.

Het 2e district omvat: de provinciën Utrecht en Zeeland en het gedeelte van de provincie Zuid-Holland dat niet behoort tot het 3 e district.

Het 3e district omvat: de gemeenten Capelle aan de IJssel, Krimpen aan de Lek, Krimpen aan de IJssel, Maasland, Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen.

Het 4e district omvat: de provincie Noord-Holland en het niet tot enige provincie behorende watergebied van het Rijk.

Het 5e district omvat: de provinciën Gelderland (met het drostambt Elten) en Overijssel (met de Noord-Oostpolder).

Het 6e district omvat: de provinciën Drente, Friesland en Groningen.

Artikel 3. 1. De ambtenaren van de Dienst zijn werkzaam onder de bevelen van Onze Minister.

2. Bij de uitoefening van hun ambt zijn de ambtenaren van de Dienst steeds voorzien van een hun door of namens Onze Minister afgegeven legitimatiebewijs, hetwelk desverlangd moet worden getoond.

Artikel 4. 1. Aan het hoofd van de Dienst staat de Hoofdingenieur-Directeur, wiens ambtskring het Rijk omvat.

2. Onze Minister wijst aan de overige ambtenaren van de Dienst een of meer van de in artikel 2 bedoelde districten als ambtsgebied aan of voegt hen toe aan het Hoofd van de Dienst.

Het Hoofd van de Dienst kan, indien dit wordt verzocht, een ambtenaar van de Dienst voor het verrichten van een keuring in het buitenland aanwijzen. In dit geval worden de door de aanvrager te dragen kosten berekend naar een door Onze Minister vastgesteld tarief.

Het Hoofd van de Dienst kan de ambtenaren van de Dienst tijdelijk buiten hun ambtsgebied bevoegd verklaren.

3. Onze Minister wijst aan ieder van de ambtenaren van de Dienst een standplaats aan.

Artikel 5. 1. Het Hoofd van de Dienst is belast met de leiding van en het toezicht op de Dienst.

2. Hij kan met betrekking tot het veilig gebruik van stoomtoestellen en damptoestellen eisen stellen aan het materiaal, de constructie en de wijze van vervaardigen van deze toestellen en van hun toebehoren, en daartoe zowel in het algemeen als ten aanzien van bepaalde stoomtoestellen en damptoestellen onderzoekingen doen verrichten.

3. Hij wordt in de vervulling van zijn ambt bijgestaan door de hem toegevoegde ambtenaren, aan wie hij daartoe opdrachten geeft.

4. Bij ziekte, verlof, afwezigheid of ontstentenis van het Hoofd van de Dienst worden door Onze Minister, voor zoveel nodig, maatregelen genomen ter voorziening in de tijdelijke waarneming van het ambt.

Artikel 6. 1. Aan het hoofd van de Dienst in elk van de districten, bedoeld in artikel 2, staat een door Onze Minister aan te wijzen Hoofdingenieur-Districtshoofd.

Sluiten