Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'\Y 2 ( Pl - p 2 ) v p 2 +1

Indien de ruimte met meerdere veiligheidskleppen in verbinding staat of de aanvoer door meerdere pijpen en onder een zelfde druk geschiedt, is het bepaalde in de voorgaande volzin eveneens van toepassing, wanneer in de plaats van de middellijn van de klepopening wordt beschouwd de middellijn van de cirkel, waarvan het oppervlak gelijk is aan het gezamenlijk oppervlak van de klepopeningen en in de plaats van de middellijn van de nauwste doorlaat van de aanvoerpijp, de middellijn van de cirkel, waarvan het oppervlak gelijk is aan het gezamenlijk oppervlak van de nauwste doorlaten van de aanvoerpijpen.

De druk pi wordt geacht gelijk te zijn aan de druk, waaronder de damp of het gas in de leiding binnen stroomt.

2. Indien de leiding is voorzien van een veiligheidsklep, belast overeenkomstig een druk p 2 , wordt geacht, dat in de leiding achter die klep geen hogere dan deze druk kan heersen, mits ten aanzien van de klepopening is voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, waarbij voor het bepalen van de daarin genoemde factor in de plaats van de druk p, wordt beschouwd de druk p 2 .

Indien in de leiding vóór de in de voorgaande volzin bedoelde veiligheidsklep een betrouwbaar drukverminderingstoestel is aangebracht, dat vóór overschrijding van de druk p 2 verdere damp- of gasaanvoer verhindert, behoeft de in die volzin bedoelde veiligheidsklep geen grotere middellijn dan 50 mm te hebben.

Artikel 53. 1. Een vat moet op de ruimte, waarin vloeistof wordt aangevoerd en waarvan de toegestane werkdruk lager is dan de druk, waaronder die vloeistof kan worden aangevoerd, zijn voorzien van:

le een veiligheidsklep;

2e een manometer.

Ten aanzien van de middellijn van de klepopening is het bepaalde in artikel 52, lid 1, op overeenkomstige wijze van toepassing op de hier bedoelde veiligheidsklep, indien deze zodanig is geplaatst, dat bij het openen steeds vloeistof wordt afgevoerd.

2. Een vat moet op de ruimte, waarin een vloeistof, die deze ruimte geheel vult, wordt verhit zonder dat damp kan worden voortgebracht, zijn voorzien van:

le een veiligheidsklep;

2e een manometer.

De klepopening van de veiligheidsklep moet een middellijn hebben van tenminste 15 mm.

Artikel 54. 1. Indien zich in een ruimte, als bedoeld in artikel 51, lid 1, een vloeistof bevindt, waarvan de damp schadelijk of gevaarlijk is voor de omgeving, wordt geacht, dat aan het bepaalde omtrent veiligheidskleppen is voldaan, wanneer het vat op deze ruimte is voorzien van tenminste twee veiligheidsplaatjes, welke breken bij een druk, die niet hoger is dan het gemiddelde van de toegestane werkdruk en de persdruk voor een eerste beproeving, als bedoeld in artikel 13, lid 1 en 2.

2. De veiligheidsplaatjes moeten elk afzonderlijk van het vat kunnen worden afgesloten en moeten uitneembaar zijn. Zij moeten op zodanige wijze zijn aangebracht, dat de ontwijkende stoffen door een doelmatige afvoerpijp op een veilige wijze worden afgevoerd.

HOOFDSTUK V

Het toebehoren van stoomtocstellen en damptoestellen, voor het in werking brengen waarvan geen vergunning is vereist

Artikel 55. 1 . Ketels, met uitzondering van die, waarbij de in artikel 10, lid 1, onder d bedoelde grens niet wordt overschreden, moeten zijn voorzien van:

le een veiligheidsklep of een veiligheidsbuis, indien het verwarmd oppervlak niet groter is dan 2 m 2 of in de ketel geen

dampontwikkeling plaats vindt; in andere gevallen van tenminste twee veiligheidskleppen of een veiligheidsbuis;

2e een manometer;

3e een peilglas, tenzij de inrichting van de stoomketel overeenkomt met die, omschreven in de artikelen 46, lid 1, 47 of 49, dan wel in artikel 48, voor zover ook daarbij geen peilglas is vereist;

4e een plaat, waarop duidelijk en duurzaam staat vermeld:

1° de hoogste druk in elk afzonderlijk gedeelte, waarbij het toestel geen gevaar oplevert;

2° de uitgestrektheid van het verwarmd oppervlak;

3° de grootte van de inhoud in liters van elk afzonderlijk gedeelte van het toestel, voor zover de werkdruk van het betreffende gedeelte hoger is dan 0,5 at;

4° een aanduiding van de soort damp of vloeistof, andere dan stoom of water, welke zich in het toestel bevindt.

2. De klepopening van de in het voorgaande lid bedoelde veiligheidskleppen mag — behoudens in het geval, bedoeld in de tweede volzin van artikel 57, lid 1 — geen kleinere middellijn hebben dan 10 mm indien het verwarmd oppervlak niet groter is dan 0,2 m 2 , dan 25 mm indien het verwarmd oppervlak niet groter is dan 1 m 2 doch groter dan 0,2 m 3 , en dan 50 mm in andere gevallen.

3. De in het eerste lid bedoelde veiligheidsbuizen mogen geen kleinere inwendige middellijn hebben dan 25 mm, indien het verwarmd oppervlak niet groter is dan 2 m 2 , en dan 50 mm in andere gevallen. Zij moeten zijn gevuld met dezelfde soort vloeistof als die in de ketel aanwezig en vorstvrij zijn opgesteld.

Artikel 56. 1. Vaten of de afzonderlijke gedeelten, waaruit deze toestellen bestaan, moeten zijn voorzien van een veiligheidsklep, tenzij de druk daarin op generlei wijze kan stijgen boven de werkdruk, als bedoeld in artikel 57, lid 1. Het gebruik maken van een inrichting, als bedoeld in artikel 10, lid 6, maakt echter het aanbrengen van veiligheidskleppen niet overbodig.

2. Ten aanzien van de grootte en het aantal van deze veiligheidskleppen vindt — behoudens in het geval, bedoeld in de tweede volzin van artikel 57, lid 1 — het bepaalde in de artikelen 28, lid 1, 50, 51, 52 en 53 overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de middellijn van de klepopening nimmer groter behoeft te zijn dan 50 mm.

3. Een vat, geen pijpleiding zijnde, moet, indien dit toestel is verbonden met een stoomketel of dampketel, voor het gebruik waarvan vergunning is vereist, zijn voorzien van een plaat, als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder 4e, met dien verstande, dat de vermelding van het verwarmd oppervlak daarbij kan vervallen.

4. Een vat moet op de ruimte, waarin damp of gas wordt verhit, bovendien zijn voorzien van een thermometer.

5. Indien een vat of een afzonderlijk gedeelte daarvan, op grond van het bepaalde in het eerste lid, moet zijn voorzien van een veiligheidsklep, moet het op de ruimte, waarmede deze veiligheidsklep in verbinding staat, tevens zijn voorzien van een manometer.

Artikel 57. 1. Stoomtoestellen en damptoestellen mogen slechts worden gebruikt onder een werkdruk, waarbij het toestel geen gevaar oplevert; zijn zij voorzien van veiligheidskleppen of veiligheidsbuizen, dan mogen de veiligheidskleppen niet zwaarder zijn belast en de veiligheidsbuizen niet hoger zijn, dan overeenkomt met die werkdruk.

In afwijking van het bepaalde omtrent de grootte van veiligheidskleppen en veiligheidsbuizen in de artikelen 55, lid 2 en 3, en 56, lid 2, mogen deze een kleinere middellijn hebben dan de vastgestelde kleinste middellijn, indien het Hoofd van de Dienst schriftelijk heeft verklaard, dat hij deze kleinere middellijn voldoende acht.

Sluiten