Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. voor het overige het totaal van de schade, door de getroffene geleden, voorzover de vaststelling van deze schade behoort tot de bevoegdheid van eenzelfde vaststellend orgaan.

3. Bij de uitbetaling wordt op het totale bedrag van de aan de getroffene toegekende bijdrage eenmaal een bedrag van f 50 in mindering gebracht.

4. Indien met betrekking tot een goed meer dan een persoon getroffene is, wordt voor de toepassing van het bepaalde in de leden 2 en 3 onder getroffene verstaan deze personen gezamenlijk.

Artikel 29. 1. Over de bijdragen wordt geen rente vergoed.

2. In gevallen van onherstelbare schade aan woningen en bedrijfspanden, met uitzondering van boerderijen, wordt op verzoek van de belanghebbende door het vaststellend orgaan een vergoeding toegekend ten bedrage van de helft van de huurwaarde, te bepalen overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de Wet op de personele belasting 1950.

3. De in lid 2 bedoelde vergoeding wordt berekend over een periode, ingaande op de datum, waarop de desbetreffende woningen en bedrijfspanden tengevolge van de watersnood moesten worden ontruimd, en eindigende drie maanden na de aanvang van de herbouw, doch uiterlijk 1 Januari 1957. Van de in de vorige zin genoemde einddatum kan door Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting worden afgeweken. Voor de berekening van de vergoeding wordt een maand gerekend 30 en een jaar 360 dagen te bevatten.

4. In gevallen van herstelbare schade aan grond kan op verzoek van de belanghebbende een vergoeding worden toegekend ten bedrage van de pachtwaarde, voorzover en zolang de grond naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening niet in natura is hersteld. Het bepaalde in lid 3 vindt daarbij voorzoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

5. Onze in de vorige leden genoemde Ministers zijn bevoegd op verzoek van de belanghebbende te bepalen, dat de vergoeding aan de gebruiker van het beschadigde goed zal worden betaalbaar gesteld, voorzover deze aantoont ondanks de beschadiging de huur of pacht te hebben doorbetaald aan de eigenaar over het tijdvak, waarover de vergoeding wordt berekend.

6. De schuldeisers van hypothecaire vorderingen, die uiterlijk een maand voor de uitbetaling van de vergoeding aan het vaststellend orgaan van hun vordering per aangetekende brief hebben doen blijken, kunnen terzake van opeisbaar geworden bedragen wegens rentevorderingen en aflossingen op de hoofdsom verhaal nemen op de vergoeding of op een deel daarvan.

HOOFDSTUK III Betaling van de bijdrage

Artikel 30. 1. De bijdrage wegens herstelbare schade aan een gebouwd onroerend goed wordt betaalbaar gesteld, mits naar het oordeel van Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting een overeenkomstig bedrag is besteed voor het herstel van dat onroerend goed of een zodanige besteding verzekerd is, dan wel Onze voornoemde Minister toestemming verleent de bijdrage op een andere wijze te besteden; Onze voornoemde Minister kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

2. De bijdrage wegens onherstelbare schade aan een gebouwd onroerend goed moet worden besteed voor de bouw van een vervangend onroerend goed; het bepaalde in lid 1 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

3. De bouw moet geschieden in de gemeente, waarin het pand, waarop de bijdrage betrekking heeft, gelegen was. Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting kan van deze bepaling ontheffing verlenen.

4. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing met

betrekking tot schepen, met dien verstande, dat de daar bedoelde toestemming kan worden gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, doch voorzoveel het vissersschepen betreft door Onze Minist er van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. 4 -

Artikel 31. Overeenkomstig de door Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting te geven aanwijzingen wordt de bijdrage wegens schade aan gebouwd onroerend goed of schepen uitbetaald naar mate de uitvoering van de werkzaamheden vordert.

Artikel 32. 1. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk II wordt op verzoek van een rechthebbende, die met goedkeuring van Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting niet tot vervanging van een onherstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed overgaat, de bijdrage vastgesteld op het bedrag van de verkoopwaarde van dat goed op 31 Januari 1953, verminderd met de verkoopwaarde van de restanten volgens de op dat tijdstip geldende factoren. Bij de vaststelling van beide waarden wordt de ondergrond mede in aanmerking genomen. De bijdrage ingevolge dit lid is nimmer hoger dan een bijdrage, berekend overeenkomstig hoofdstuk II.

2. De bijdrage wordt zo spoedig mogelijk na de toekenning uitbetaald.

3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot schepen, met dien verstande, dat de in lid 1 bedoelde goedkeuring kan worden gegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, doch voorzoveel het visserijschepen betreft door Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

Artikel 33. 1. Indien op 1 Januari 1957 met betrekking tot een herstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed of schip geen aanvang met het herstel is gemaakt, vervalt de aanspraak op een bijdrage.

2. Indien op 1 Januari 1957 met betrekking tot een onherstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed, niet zijnde een boerderij, of schip geen aanvang met de vervanging is gemaakt, wordt een bijdrage toegekend op de voet van artikel 32.

3. Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting kan, inplaats van het in de vorige leden genoemde tijdstip, voor bepaalde onroerende goederen of schepen, voor groepen daarvan of voor bepaalde door hem aan te wijzen gebieden een later tijdstip stellen.

Artikel 34. 1. De betaling van de bijdrage geschiedt door een door Onze Minister van Financiën daarmede te belasten comptabele.

2. De in lid 1 genoemde comptabele en de hoofden van de Rampschade-bureaux kunnen op aanwijzing van de vaststellende organen voorschotten op de bijdrage betalen.

Artikel 35. De bijdrage wordt, voorzover in deze wet niet anders wordt bepaald, betaalbaar gesteld aan de rechthebbende.

Artikel 36. 1. Met de belangen van degenen, die ten tijde van het ontstaan van de schade een zakelijk recht, niet zijnde een recht van hypotheek, konden doen gelden met betrekking tot het goed, waaraan de schade is geleden, wordt, indien de zakelijk gerechtigde uiterlijk een maand voor de uitbetaling van de bijdrage van zijn zakelijk recht per aangetekende brief aan het vaststellend orgaan heeft doen blijken, bij de uitbetaling van de bijdrage rekening gehouden op de wijze als in de volgende leden is bepaald.

2. Indien de rechthebbende met de zakelijk gerechtigde omtrent de uitbetaling van de bijdrage een minnelijke regeling tot stand heeft gebracht en daarvan, met inachtneming van de in lid 1 bedoelde termijn, per aangetekende brief aan het vaststellend orgaan is kennisgegeven, geschiedt de uitbetaling voorzoveel mogelijk overeenkomstig het dienaangaande bij die regeling bepaalde.

3. Bij de bouw van een vervangend pand op grond, welke ten tijde van het ontstaan van de schade niet eveneens met de in lid 1 bedoelde zakelijke rechten was belast, of bij bouw van een pand van aanzienlijk geringere inhoud of van andere aard dan het getroffene, alsmede wanneer de bijdrage op basis van de verkoopwaarde, bedoeld in artikel 32, is vastgesteld, geschiedt de uitbetaling van de bijdrage uitsluitend, nadat met betrekking tot het getroffen pand een regeling is

Sluiten