is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 361-400, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze wet een belastingwet, met dien verstande dat de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden jegens de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

Artikel 24

1. Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet, of in verband daarmee, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van deze wet of van een belastingwet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting in de zin van artikel 1, tweede lid, van die wet. 2. Onze Minister kan, behoudens ten aanzien van ingevolge artikel 25 verkregen gegevens, ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

Artikel 25

Het in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gestelde verbod geldt niet, voor zover het bekend maken van gegevens nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 26

Onze Minister brengt jaarlijks aan beide Kamers der Staten-Generaal verslag uit over de toepassing van deze wet. In dit verslag wordt zoveel mogelijk aangegeven op welke wijze en in welke mate de investeringen, waarvoor investeringsbijdragen of -toeslagen zijn verleend, hebben bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van deze wet.

Artikel 27

Een beschikking, vastgesteld krachtens artikel 6, vierde lid, of 23 wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

AFDELING 6. WIJZIGINGEN VAN DE BELASTINGWETGEVING IN VERBAND MET DE INVOERING VAN INVESTERINGSBIJDRAGEN EN -TOESLAGEN

Artikel 28

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 1 wordt na artikel 60 een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

«HOOFDSTUK VA

Verminderingen en vermeerderingen van belasting in verband met investeringen

Artikel 61. 1. De op de voet van het vorige hoofdstuk berekende belasting wordt verminderd met de investeringsbijdragen en vermeerderd met de desinvesteringsbetalingen. 2. Ook indien de berekening van de belasting ten gevolge van het bepaalde in het eerste lid niet leidt tot een positief bedrag, wordt de uitkomst van de berekening vastgesteld bij wege van aanslag.