is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 452-500, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 6

1. Met ingang van de datum van herindeling en zolang de in artikel 4, eerste lid, bedoelde voorschriften blijven gelden, oefenen in overgaand gebied de in de gemeente waaraan dat gebied wordt toegevoegd, bevoegde organen en ambtenaren de bevoegdheden uit, welke bij die voorschriften aan overeenkomstige organen en ambtenaren zijn toegekend. 2. De bevoegdheid tot het heffen en invorderen van bestaande gemeentelijke belastingen in een overgaand gebied over een belastingjaar, dat vóór de datum van herindeling is aangevangen, blijft voorbehouden aan de organen en de ambtenaren der gemeente, waarvan het gebied tevoren deel uitmaakte, met dien verstande, dat de organen en de ambtenaren van de nieuwe gemeente Hefshuizen in de plaats treden van de organen en de ambtenaren van de op te heffen gemeenten Uithuizen en Uithuizermeeden.

Artikel 7

1. Gemeenschappelijke regelingen, waaraan uitsluitend wordt deelgenomen door de op te heffen gemeenten Uithuizen en Uithuizermeeden, vervallen met ingang van de datum van herindeling. Het bestuur van de nieuwe gemeente Hefshuizen treft in verband hiermede de nodige voorzieningen. Op het daarbij betrokken personeel zijn de bepalingen van Hoofdstuk VI van overeenkomstige toepassing. 2. De overige gemeenschappelijke regelingen, waaraan bij de herindeling betrokken gemeenten deelnemen, blijven, mede voor overgaand gebied, ongewijzigd van kracht totdat toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid. 3. De gemeenten, op het grondgebied waarvan ten gevolge van het bepaalde in het vorige lid een gemeenschappelijke regeling van kracht wordt, worden geacht mede aan deze regeling deel te nemen. Deze gemeenten tre.den met betrekking tot het overgaande gebied voor de toepassing van deze gemeenschappelijke regeling in de plaats van de gemeenten, waarvan het betrokken gebied op de dag, voorafgaande aan de datum van herindeling, deel uitmaakte. 4. De besturen van de gemeenten, die aan een gemeenschappelijke regeling, als in het tweede lid bedoeld, deelnemen of geacht worden deel te nemen, treffen binnen zes maanden na de datum van herindeling met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen de ingevolge de gewijzigde gemeentelijke indeling nodige voorzieningen. Zij kunnen daarbij afwijken van de bepalingen van de gemeenschappelijke regeling met betrekking tot wijziging en opheffing van de regeling en het toe- en uittreden van deelnemers. De in de eerste volzin genoemde termijn kan door Gedeputeerde Staten van Groningen of, zo de regeling uitsluitend tussen burgemeesters is gesloten, door Onze Commissaris in die provincie, met ten hoogste zes maanden worden verlengd. 5. Indien de nodige voorzieningen, bedoeld in het vorige lid, niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn getroffen, kan dit geschieden door Gedeputeerde Staten van Groningen of, zo de regeling uitsluitend tussen burgemeesters is gesloten, door Onze Commissaris in die provincie. 6. De leden van bij gemeenschappelijke regeling ingestelde organen, aangewezen door de besturen van de in het tweede lid bedoelde gemeenten, blijven in deze organen zitting hebben, totdat de na de datum van herindeling bevoegde gemeentebesturen, zo nodig met afwijking van hetgeen in de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de zittingsduur is bepaald, in de aanwijzing hebben voorzien. 7. Tegen een besluit van Gedeputeerde Staten of tan Onze Commissaris, genomen krachtens het vijfde lid, kunnen de betrokken gemeentebesturen binnen dertig dagen, te rekenen van de dag van verzending van het besluit, bij Ons voorziening vragen. 8. Indien bij de gemeenschappelijke regeling mede niet in de provincie Groningen gelegen gemeenten zijn betrokken, treden Wij voor de toepassing van dit artikel in de plaats van Gedeputeerde Staten van Groningen, onderscheidenlijk van Onze Commissaris in die provincie.