is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 501-549, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat J. C. Eisses en M. M. C. Denters in beroep aanvoeren, dat uit de overwegingen van gedeputeerde staten blijkt, dat het economisch belang van de Chemische Fabriek Naarden, thans Naarden International Holland B.V., uiteindelijk doorslaggevend is voor het verlenen van de ontheffing; dat de werkgelegenheid voor 1000 man vanzelfsprekend erg belangrijk is, maar niet als dreigement mag worden gebruikt om het afval van deze fabriek zo goedkoop mogelijk weg te werken; dat verder de beperking van de vervuilingswaarde van het afval door middel van recycling en dergelijke helemaal afhankelijk is van de goede wil van de bedrijfsvoerenden; dat eenmaal per maand verslag moet worden uitgebracht, maar dat men dan de vraag kan stellen wie dat moet beoordelen; dat zij er in tegenstelling tot gedeputeerde staten allerminst van overtuigd zijn, dat geïnjecteerd afvalwater niet zal doordringen in potentieel drinkwater, gezien het weinige dat er bekend is over deepwell-lozing en de altijd aanwezige kans op ongelukken; dat gedeputeerde staten zich bovendien niet uitspreken over secundaire effecten als opstuwing van zoutwater, verstoring van het bodemprofiel en dergelijke, die op hun beurt nadelige invloed op het potentiële drinkwater kunnen hebben; dat de bedreiging van de drinkwatervoorziening zowel reëel als zeer ingrijpend is, gezien de moeilijke vooruitzichten hiervoor in de toekomst; dat dit van groot belang is voor een groot aantal mensen; dat de provincie Noord-Holland de enige provincie is, die met dit probleem van de diepbronlozingen geconfronteerd wordt, omdat deze lozingen alleen op haar gebied plaatsvonden; dat het karakter van deze vorm van vervuiling echter een landelijke wetgeving of op zijn minst een richtlijn eist; dat uit het voorgaande volgt, dat gedeputeerde staten van Noord-Holland ten onrechte aan de Naarden International Holland B.V. de gevraagde ontheffingen hebben verleend, zij het voor een beperkte tijd en onder stringente voorwaarden; dat de ontheffing niet langer verleend mag worden voor er verder onderzoek heeft plaatsgevonden naar de gevolgen van deze manier van lozen en voor er aangetoond is, dat het afval onschadelijk is onder de grond en voor er grenzen worden gesteld aan de vervuilingswaarde van het afval;

Overwegende dat door enige appellanten de bevoegdheid van het provinciaal bestuur van Noord-Holland tot het verlenen van de onderwerpelijke ontheffing is betwist, omdat daarbij met toepassing van de artikelen 17 en 17a van de Verordening bescherming bodem en grondwater Noord-Holland aan Naarden International Holland B.V. wordt toegestaan over te gaan tot bodemverontreiniging, die zich zou kunnen uitstrekken tot buiten het territoir der provincie;

dat de tekst van de verordening de bevoegdheid van gedeputeerde staten tot het verlenen van een ontheffing als de onderwerpelijke - welke overigens steunt op artikel 5 en niet op de artikelen 17 en 17a van de verordening - niet beperkt in die zin dat, indien daarbij mede het gebied van een andere provincie betrokken zou kunnen zijn, reeds hierom de ontheffing zou dienen te worden geweigerd;

dat ook geen andere wettelijke bepaling is aan te wijzen, waarmee de bevoegdheid van gedeputeerde staten tot het nemen van een beslissing ter zake in strijd zou zijn;

dat een besluit als het onderwerpelijke ingevolge artikel 11, derde lid, der verordening alleen gegrond mag zijn op het belang van de bescherming van de bodem of het grondwater dan wel beide tegen verontreiniging;

dat uit de samenhang van de verbodsbepaling, vervat in artikel 3a en de ontheffingsregeling in de artikelen 5 en volgende, is af te leiden dat van geval tot geval dient te worden bezien of het algemeen belang, gelegen in de bescherming van de bodem en het grondwater, zich al dan niet tegen de verlening van een ontheffing van het verbod tot het doen verzinken van schadelijke stoffen in de bodem verzet en of in een dergelijke ontheffing door middel van voorwaarden de nodige waarborgen kunnen worden opgenomen;

dat gedeputeerden staten ten aanzien van een aantal bezwaren van de appellanten welke verband houden met de door hen geuite vrees voor onaanvaardbare ondergrondse verspreiding en opwaartse beweging van het geïn-