is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 501-549, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. de aard van de te lozen afvalstoffen is zodanig, dat, met of zonder vermenging van de reeds in de lozingslaag aanwezige stoffen, chemische reacties, gepaard met gasontwikkeling of temperatuurverhoging, niet zijn uitgesloten. De hierdoor optredende drukverhoging kan aanleiding zijn, dat het verontreinigde water zich geforceerd een uitweg zoekt; 15. de technische informaties met betrekking tot de installatie zijn onvoldoende. Slechts een boorprofiel en de plaatsing van enkele peilfilters worden opgegeven. Elk gegeven omtrent de verhuizing, de cementatie, aantal en plaats van afsluiters, leidingen en beveiligingen ontbreekt; 16. het, als gevolg van lekkage in de verhuizing van de injectieput, geraken van afvalwater in grondlagen boven de gekozen lozingslaag is niet uitgesloten; controle hierop is niet aanwezig; 17. de veiligheid van de bestaande lozing wordt ernstig betwijfeld nu verzoekster van de voorgenomen «diepe» put zegt, dat deze een nog grotere veiligheid geeft dan de in gebruik zijnde put; 18. het afvalwater bevat, onder andere vanwege de aanwezigheid van metaalverbindingen giftige stoffen, welke opgelost zullen blijven in de zoutwaterlaag waarin het afvalwater geperst wordt; de concentratie zal bij het voortduren van de lozing steeds toenemen; 19. de verspreiding van de vervuiling in de ondergrond als gevolg van de toegepaste lozingsmethode is niet te voorspellen; 20. de vervuiling van de ondergrond is onherroepelijk en onherstelbaar. Het verontreinigde grondwater is onbruikbaar voor andere doeleinden, met name voor de winning ten behoeve van de drinkwatervoorziening; 21. het is ongeloofwaardig dat gravitatielozing mogelijk is gelet op de hydrostatische formatiedruk, de weerstand van de afvloeiing in de desbetreffende bodemlaag, de grootte van het contactoppervlak van het uitstromingspunt met de lozingslaag, en dit alles in verband met de hoeveelheid vloeistof die moet worden afgevoerd; 22. tegen het onder een overdruk van maximaal 15 ato op een diepte van 500 m in de ondergrond brengen van het afvalwater bestaat, gelet op het sub 14 aangevoerde, ernstige bedenking; 23. niet wordt aangetoond dat alternatieve, technisch uitvoerbare oplossingen zijn onderzocht; evenmin wordt aangegeven in hoeverre voorzuivering van het afvalwater plaatsvindt ten einde de hoeveelheid te lozen afval door middel van de injectieput tot het minimale te beperken; 24. betwijfeld moet worden of het provinciale bestuur van Noord-Holland gerechtigd is de gevraagde ontheffing te verlenen, zolang niet met zekerheid is aangetoond, dat de verontreiniging als gevolg van de lozing zich tot het grondgebied van de provincie zal beperken;

dat per jaar circa 30 000 m 3 afvalwater van natriumbenzoaatbereiding, anti-oxydantenbereiding en chemische en destillatieprocessen, na een voorbehandeling, in de onder A vermelde injectieput - tot een diepte van N.A.P. -220 m tot -300 m - wordt verzonken; dat het in het voornemen van de Naamloze Vennootschap Chemische Fabriek «Naarden», thans Naarden International Holland B.V. ligt om de onder B genoemde injectieput-tot een diepte van N.A.P. -430 m tot -600 m - te bestemmen voor het doen verzinken van dat afvalwater, zomede eventueel voor het van de meng- en roerafdelingen afkomstige en tot dusverre in het meertje «De Lepelaar» onder Muiden afgevoerde schrob- en spoelwater en de onder A vermelde injectieput in reserve te houden; dat deze afvalprodukten schadelijke stoffen in de zin van de Verordening bescherming bodem en grondwater Noord-Holland bevatten, waardoor-gezien ook de kwantiteiten - zowel bodem als grondwater worden verontreinigd; dat, hoewel in de grond- en waterlagen op de eerdervermelde diepten enigermate herstel van het natuurlijk evenwicht zal optreden, bij voortduring van de lozingen een bestendiging van een steeds toenemende verontreiniging als een vaststaand gegeven moet worden aangenomen; dat dit gegeven zich niet verdraagt met het doel, hetwelk de verordening beoogt te dienen, namelijk het voorkomen of beperken van aantasting van de kwaliteit van bodem en grondwater; dat de vraag of inbreuk op