is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 501-549, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leidingbedrijven, de Zuidelijke IJsselmeerpolders, de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en de Dienst der Zuiderzeewerken op de hoorzitting een volstrekt andere mening waren toegedaan dan die welke hier door gedeputeerde staten wordt uitgesproken; dat zij ten slotte opmerkt, dat de bewering, dat aan de bezwaren 5,15,16 en 18 in voldoende mate is tegemoet gekomen zich nog steeds aan haar beoordeling onttrekt, daar zij niet over de gegevens beschikt die gedeputeerde staten ten dienste stonden; dat zij ad c aanvoert, dat zij, daar in het besluit niet op deze, haars inziens noodzakelijke afweging wordt ingegaan, volstaat met het constateren van de omissie en een verzoek deze afweging alsnog te doen plaatsvinden; dat zij aan voorgaande, rechtstreeks op de tekst van het besluit ingaande opmerkingen nog een meer algemene beschouwing wil toevoegen; dat zij in haar bezwaarschrift naast haar concrete bezwaren tegen de in het geding zijnde injectieputten, in de vorm van een aantal stellingen en een als «bijlage I» toegevoegd artikel in haar blad «Natuur en landschap» haar visie gaf op de diepe ondergrondse lozing van afval in het algemeen; dat een (in grote lijnen niet wezenlijk hiervan verschillende) algemene beschouwing over deze problematiek binnenkort zal verschijnen in de vorm van het zeer uitgebreide rapport van de eerdergenoemde Studiegroep Diepe Ondergrondse Lozingen TNO; dat een landelijke wetgeving, welke de lozing van afval in de ondergrond regelt, helaas niet voorhanden is, maar dat zij meent, dat de bouwstenen en intenties hiertoe wel bekend zijn; dat zij het TNO-rapport als een der bouwstenen beschouwt, dat zij, wat de intenties betreft, in de eerste plaats verwijst naar de antwoorden van Onze Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne op vragen van de Tweede Kamerleden Terlouw en Stoffelen en Van der Spek (Aanhangsel tot het Verslag van de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1971/1972, nr. 1999, respectievelijk 2021); dat zij verder de aandacht vestigt op de zonder hoofdelijke stemming aangenomen en ook door Onze Minister onderschreven motie van de kamerleden Epema-Brugman, Terlouw, Van der Lek, Jurgens en Van Veenendaal-van Meggelen (verslag van de Handelingen der Tweede Kamer, zitting 1972/1973- 12 000, nr. 13), waarin onder andere wordt gesteld, «dat voor handelingen, waarvan de schadelijke gevolgen voor het natuurlijke leefmilieu niet kunnen worden overzien, als uitgangspunt moet gelden «ingeval van twijfel, niet doen», en «dat diepe ondergrondse lozing van afvalstoffen zo'n handeling is»; dat zij ten slotte nog opmerkt, dat reeds tijdens de behandeling van de Rijksbegroting 1973 in de Tweede Kamer is gefilosofeerd over Onze behandeling van een beroepschrift als het onderwerpelijke (Handelingen, zitting 1972/1973, 680); dat Onze Minister op de concrete vraag wat zijn houding zou zijn, indien gedeputeerde staten van Noord-Holland toestemming zouden geven om de deepwell-lozing in Naarden voort te zetten, letterlijk zei: «Wij moeten hier wel tussen twee dingen onderscheid maken. Het gaat erom, of de lozing die al meer dan een jaar gaande is, wordt voortgezet, en het gaat erom op de aanvraag te reageren om in de diepte te mogen lozen, dus met een nieuwe installatie veel diepere lozingen te verrichten. Dit laatste is door de provincie nog niet toegestaan. Ik zal alle middelen gebruiken om dat tegen te gaan»; dat zij derhalve verzoekt het onderwerpelijke besluit van gedeputeerde staten, dat lijnrecht indruist tegen de door haar verdedigde belangen te vernietigen; dat zij wel haar bezorgdheid wil uitspreken over het moment, waarop dit zou gebeuren; dat, aangezien gedeputeerde staten gebruik hebben gemaakt van hun recht om aan beroepen geen opschortende werking toe te kennen, het grote geva,ar bestaat, dat straks al onherstelbaar kwaad is geschied vóór een uitspraak in hoogste instantie heeft plaatsgevonden; dat zij dan ook om een spoedige afhandeling van de beroepen vraagt;

dat de landdrost van de Zuidelijke IJsselmeerpolders, mede namens de adviesraad van de Zuidelijke IJsselmeerpolders, in beroep aanvoert, dat hij tegen het voornemen van gedeputeerde staten van Noord-Holland om de gevraagde ontheffingen te verlenen bij brief van 22 december 1972, no. 6758-1, bezwaar heeft gemaakt; dat voorts tijdens de op 5 februari 1973 gehouden openbare hoorzitting het bezwaarschrift is toegelicht; dat hij inder-