is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zet buitengewoon onderwijs; de onder k en I vermelde scholen en de overige in dat artikel genoemde scholen zijn scholen voor elementair buitengewoon onderwijs. 2. De scholen voor elementair buitengewoon onderwijs kunnen naast de kernafdeling bijzondere afdelingen omvatten overeenkomstig het voor elk der in artikel 2 genoemde soorten bepaalde in hoofdstuk II van deze titel.

Artikel 7

1. Tot een school mogen slechts die kinderen worden toegelaten, die uit hoofde van een zintuiglijk, lichamelijk of geestelijk gebrek of van hun gedrag dan wel op grond van maatschappelijke omstandigheden ander dan buitengewoon lager onderwijs niet met vrucht kunnen volgen en voor het op die school gegeven onderwijs in aanmerking komen. 2. Geen kind wordt als leerling tot de school toegelaten dan na onderzoek door een commissie, waarvan de samenstelling voor elke soort van scholen in hoofdstuk II van deze titel wordt geregeld. 3. Van het in het vorige lid bedoelde onderzoek wordt gemeenschappelijk een rapport opgemaakt, dat in de school wordt bewaard tot ten minste drie jaren na het tijdstip, waarop de leerling de school heeft verlaten. De hoofdinspecteur en de inspecteur zijn bevoegd het onderzoek bij te wonen. Het rapport wordt aan hen op hun aanvrage ter inzage gegeven. 4. Van de toelating en het ontslag der leerlingen doet het bevoegd gezag binnen veertien dagen mededeling aan de inspecteur, met vermelding van de afdeling waarin zij zijn geplaatst of waaruit zij zijn ontslagen. Gelijke mededeling geschiedt bij overgang van de leerling naar een andere afdeling van de school. 5. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 2, tweede lid. Het vierde lid is niet van toepassing op scholen voor woonwagenkinderen. 6. Indien de inspecteur van oordeel is, dat op een school een leerling is geplaatst, die daar ingevolge het eerste lid niet had mogen worden toegelaten, verzoekt hij het bevoegd gezag deze leerling ontslag te verlenen. 7. Bij weigering van het bevoegd gezag te voldoen aan een verzoek, als bedoeld in het zesde lid, roept de inspecteur de beslissing van Onze minister in. Deze beslist, de Onderwijsraad gehoord. Het bevoegd gezag is gehouden zich naar de beslissing van Onze minister te gedragen. 8. Indien de hoofdinspecteur van oordeel is, dat het in het tweede lid bedoelde onderzoek niet voldoet aan redelijke eisen, treedt hij in overleg met het bevoegd gezag onder mededeling van de zijns inziens aan te brengen wijzigingen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, roept de hoofdinspecteur de beslissing van Onze minister in. Het bevoegd gezag is gehouden zich naar diens beslissing te gedragen.

Artikel 8

Om tot de kernafdeling en de bijzondere afdelingen, met uitzondering van die voor zeer jeugdigen, van een school voor elementair buitengewoon onderwijs te worden toegelaten, moeten de kinderen de leeftijd van zes jaar, en om tot een bijzondere afdeling voor zeer jeugdigen te worden toegelaten, moeten de kinderen de leeftijd van drie jaar hebben bereikt, een en ander behoudens ontheffingen van de inspecteur en voor zover in hoofdstuk II van deze titel niet anders is bepaald.

Artikel 9

1. Iedere leerling, die twee jaren een school voor elementair buitengewoon onderwijs, als bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, de afdeling voor zeer jeugdigen en de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs niet medegerekend, heeft bezocht, wordt door de in artikel 7, tweede lid, bedoelde commissie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden, wederom aan een onderzoek onderworpen ten einde te bepalen, welke resulta-