is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten met het onderwijs zijn bereikt en langs welke wegen een optimale ontwikkeling van de in de leerling aanwezige mogelijkheden kan worden bewerkstelligd. Artikel 7, derde en achtste lid, is van toepassing. 2. Ten behoeve van de toelating tot het voortgezet onderwijs maakt het hoofd van de school een rapport op over de betrokken leerling. Indien het een leerling betreft van een der in artikel 2, eerste en derde lid, bedoelde scholen, wordt het rapport opgemaakt na overleg met de commissie, bedoeld in artikel 7, tweede lid. De commissie kan daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen.

Artikel 10

1. De leeftijd, waarop de leerlingen de kernafdeling van de school moeten verlaten, is zeventien jaar, voorzover in hoofdstuk II van deze titel niet anders is bepaald. De leeftijd, waarop de leerlingen een school of afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs moeten verlaten, is twintig jaar. 2. De inspecteur kan van het bepaalde in het vorige lid ontheffing verlenen. Hij kan zich ten behoeve van zijn beslissing een rapport over de betrokken leerling, opgesteld door de in artikel 7, tweede lid, bedoelde commissie doen voorleggen. De commissie kan daartoe de betrokken leerling aan een onderzoek onderwerpen. De ontheffing wordt telkens voor de tijd van een jaar verleend. Voor een leerling van de kernafdeling van de school wordt de ontheffing niet meer dan driemaal verleend; voor een leerling van een school of afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs kan de ontheffing meer dan driemaal worden verleend indien het voortgezet verblijf op de school of afdeling wenselijk is ter voltooiing van zijn opleiding of van een op verhoging van zijn arbeidsgeschiktheid gerichte behandeling. 3. Kinderen, die de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt, mogen, behoudens ontheffing van de inspecteur, niet een afdeling voor zeer jeugdigen bezoeken.

Artikel 11

Ten aanzien van de beschikking van de inspecteur op het verzoek om ontheffing, als bedoeld in artikel 8 en artikel 10, is artikel 4, tweede lid, van toepassing.

Artikel 12

1. Indien een school voor elementair buitengewoon onderwijs naast de kernafdeling één of meer bijzondere afdelingen, als bedoeld in hoofdstuk II van deze titel omvat en de inspecteur van oordeel is, dat het belang van een leerling wordt gediend met overplaatsing naar een andere afdeling, verzoekt hij het bevoegd gezag daartoe over te gaan. 2. Bij weigering van het bevoegd gezag om aan dit verzoek te voldoen, is artikel 7, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

Het bevoegd gezag draagt zorg vooreen overzichtelijke administratie van de inschrijving, afschrijving en het verzuim der leerlingen. De desbetreffende bescheiden worden bewaard tot ten minste vijfjaren na het jaar waarin de leerling ontslag is verleend en zijn voor de leden van het rijksschooltoezicht steeds ter inzage in de school beschikbaar.

Artikel 14

1. De vast aangestelde onderwijzers zijn in het bezit van de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer of van de akte als hoofdonderwijzer, als bedoeld in artikel 77 onder b van de Wet van 1878. De hoofden en