is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Het leerplan van de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs en dat van de school voor voortgezet buitengewoon onderwijs omvat behalve de in het eerste lid genoemde vakken, ten minste twee der vakken, genoemd in artikel 2 der Wet onder I tot en met p. Daaraan kunnen één of meer van de andere vakken, vermeld in het tweede lid van voornoemd artikel, worden toegevoegd.

Artikel 71

1. De commissie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, bestaat ten minste uit het hoofd der school, tot welke toelating wordt verlangd, een medicus, die met het onderzoek van lichamelijk gebrekkige kinderen vertrouwd is, alsmede een academisch gevormd psycholoog, die met het psychologisch onderzoek van kinderen vertrouwd is, dan wel een academisch gevormd en psychodiagnostisch geschoold opvoedkundige. 2. Indien en voorzover artikel 68 wordt toegepast, neemt, in plaats van de in het eerste lid bedoelde medicus, aan het onderzoek deel een medicus, die een bijzondere deskundigheid bezit ter zake van de aandoening, waaraan het te onderzoeken kind lijdende is.

Artikel 72

Geen kind wordt tot de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs toegelaten, dan na aan een onderzoek te zijn onderworpen door de commissie, bedoeld in artikel 71. Artikel 7, derde en achtste lid, is van toepassing.

Artikel 73

1. De rijksbijdrage wordt niet verleend voor scholen voor elementair buitengewoon onderwijs, waarvan de kernafdeling minder leerlingen telt dan vierentwintig. 2. In de kosten van een afdeling voor zeer jeugdigen en van een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs, wordt geen rijksbijdrage verleend, indien het aantal leerlingen van de afdeling minder bedraagt dan zeven. 3. De rijksbijdrage wordt niet verleend voor scholen voor voortgezet buitengewoon onderwijs, waarvan het aantal leerlingen minder beloopt dan tweeëndertig.

Artikel 74

1. Aan de kernafdeling van de school voor elementair buitengewoon onderwijs wordt naast het hoofd één onderwijzer verbonden, indien het aantal leerlingen ten minste dertien bedraagt. Voor elk twaalftal leerlingen boven de dertien wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 2. Indien het aantal leerlingen van een afdeling voor zeer jeugdigen twaalf of minder bedraagt, wordt daaraan één onderwijzer verbonden. Indien het aantal leerlingen van die afdeling ten minste dertien bedraagt, worden daaraan twee onderwijzers verbonden. Voor elk twaalftal leerlingen boven de dertien wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 3. Indien het aantal leerlingen van een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs tien of minder bedraagt, wordt daaraan één onderwijzer verbonden. Indien het aantal leerlingen van die afdeling ten minste elf bedraagt, worden daaraan twee onderwijzers verbonden. Voor elk zevental leerlingen boven de elf wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 4. Aan de school voor voortgezet buitengewoon onderwijs wordt naast het hoofd één onderwijzer verbonden, indien het aantal leerlingen ten minste acht bedraagt. Voor elk zevental leerlingen boven de acht wordt aan die school een onderwijzer meer verbonden.