is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 82

1. Het leerplan van de kernafdeling van de school voor elementair buitengewoon onderwijs omvat, afgezien, voor wat het bijzonder onderwijs betreft, van de vakken die verband houden met de richting, de vakken in artikel 2 der Wet vermeld onder a tot en met k en r. Aan het leerplan kan voorts het vak, genoemd in artikel 2 der Wet, onder w, worden toegevoegd. 2. Het leerplan van de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs en dat van de school voor voortgezet buitengewoon onderwijs omvatten behalve de in het eerste lid genoemde vakken, ten minste twee der vakken, genoemd in artikel 2 der Wet onder I tot en met p. Daaraan kunnen één of meer van de andere vakken, vermeld in het tweede lid van voornoemd artikel, worden toegevoegd.

Artikel 84 1

De commissie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, bestaat ten minste uit het hoofd van de school tot welke toelating wordt verlangd, een kinderarts en een academisch gevormd psycholoog die met het psychologisch onderzoek van kinderen vertrouwd is dan wel een academisch gevormd en psychodiagnostisch geschoold opvoedkundige.

Artikel 85

Geen kind wordt tot de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs toegelaten dan na aan een onderzoek te zijn onderworpen door de commissie, bedoeld in artikel 84. Artikel 7, derde en achtste lid, is van toepassing.

Artikel 86

1. De rijksbijdrage wordt niet verleend voor scholen voor elementair buitengewoon onderwijs, waarvan de kernafdeling minder leerlingen telt dan zevenenveertig. 2. In de kosten van een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs wordt geen rijksbijdrage verleend indien het aantal leerlingen van de afdeling minder bedraagt dan negen. 3. De rijksbijdrage wordt niet verleend voor scholen voor voortgezet buitengewoon onderwijs, waarvan het aantal leerlingen minder beloopt dan achtendertig.

Artikel 87

1. Aan de kernafdeling van de school voor elementair buitengewoon onderwijs wordt naast het hoofd één onderwijzer verbonden, indien het aantal leerlingen ten minste zeventien bedraagt. Voor elk zestiental leerlingen boven de zeventien wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 2. Indien het aantal leerlingen van een afdeling voor zeer jeugdigen zestien of minder bedraagt, wordt daaraan één onderwijzer verbonden. Indien het aantal leerlingen van die afdeling ten minste zeventien bedraagt, worden daaraan twee onderwijzers verbonden. Voor elk zestiental leerlingen boven de zeventien wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 3. Indien het aantal leerlingen van een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs minder dan veertien bedraagt, is daaraan één onderwijzer verbonden. Aan een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs die meer dan dertien leerlingen telt, zijn: bij 14 tot en met 21 leerlingen twee onderwijzers verbonden, bij 22 tot en met 30 leerlingen drie onderwijzers verbonden, bij 31 tot en met 40 leerlingen vier onderwijzers verbonden, bij 41 tot en met 50 leerlingen vijf onderwijzers verbonden, bij 51 tot en met 60 leerlingen zes onderwijzers verbonden en bij 61 leerlingen zeven onderwijzers verbonden.

1 Artikel 83 is vervallen bij Koninklijk besluit van 22 december 1976 (Stb. 764).