is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor elk twaalftal leerlingen boven de 61 wordt aan die afdeling een onderwijzer meer verbonden. 4. Aan een school voor voortgezet buitengewoon onderwijs wordt naast het hoofd één onderwijzer verbonden, indien het aantal leerlingen 13 tot en met 20 bedraagt. Aan een school die meer dan 20 leerlingen telt, zijn naast het hoofd: bij 21 tot en met 28 leerlingen twee onderwijzers verbonden, bij 29 tot en met 36 leerlingen drie onderwijzers verbonden, bij 37 tot en met 44 leerlingen vier onderwijzers verbonden, bij 45 tot en met 54 leerlingen vijf onderwijzers verbonden en bij 55 leerlingen zes onderwijzers verbonden. Voor elk twaalftal leerlingen boven de 55 wordt aan die school een onderwijzer meer verbonden.

Paragraaf 9

Bijzondere bepalingen voor de scholen voor kinderen, die aan toevallen lijden

Artikel 88

De school voor elementair buitengewoon onderwijs kan behalve de kernafdeling de volgende bijzondere afdelingen omvatten: a. een afdeling voor zeer jeugdigen; b. een afdeling voor kinderen, die aan toevallen lijden en tevens zwakzinnig zijn; c. een afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs.

Artikel 89

1. Het leerplan van de kernafdeling van de school voor elementair buitengewoon onderwijs omvat, afgezien, voor wat het bijzonder onderwijs betreft, van de vakken, die verband houden met de richting, de vakken, in artikel 2 der Wet vermeld onder a tot en met k en r. Aan het leerplan kan voorts het vak, genoemd in artikel 2 der Wet, onder w, worden toegevoegd. 2. Het leerplan van de afdeling, genoemd in artikel 88, onder b, omvat de vakken, bedoeld in het eerste lid. 3. Het leerplan van de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs en dat van de school voor voortgezet buitengewoon onderwijs omvatten behalve de in het eerste lid genoemde vakken ten minste twee der vakken, genoemd in artikel 2 van de Wet onder I tot en met p, s en t, en voor meisjes bovendien de aldaar onder u en v genoemde vakken. Daaraan kunnen één of meer van de andere vakken, vermeld in het tweede lid van voornoemd artikel, worden toegevoegd.

Artikel 90

De commissie, bedoeld in artikel 7, tweede lid, bestaat ten minste uit het hoofd van de school, tot welke toelating wordt verlangd, een medicus, die met het onderzoek van kinderen, die aan toevallen lijden, vertrouwd is, alsmede een academisch gevormd psycholoog, die met het psychologisch onderzoek van kinderen vertrouwd is, dan wel een academisch gevormd en psychodiagnostisch geschoold opvoedkundige.

Artikel 91

Geen kind wordt tot de afdeling voor voortgezet buitengewoon onderwijs toegelaten, dan na aan een onderzoek te zijn onderworpen door de commissie, bedoeld in artikel 90. Artikel 7, derde en achtste lid, is van toepassing.