is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Indien aan een bijzondere school één of meer vakonderwijzers in dienst treden, die niet krachtens artikel 53 der Wet in het genot zijn van wachtgeld ten laste van de gemeente, waarin de school is gevestigd, wordt jaarlijks op de vergoeding volgens dit artikel in mindering gebracht een bedrag, gelijk aan het wachtgeld, dat gedurende hun werkzaamheid aan de school in dat jaar genoten wordt door een gewezen vakonderwijzer der school of van een andere onder het bestuur van dezelfde rechtspersoon staande school voor hetzelfde vak, als waarvoor de in dienst getreden vakonderwijzer is aangesteld. De vermindering wordt niet toegepast, indien de wachtgelder niet werd benoemd wegens een gewichtige reden, zulks ter beoordeling van Onze minister. Vinden ten aanzien van meer dan één onder het bestuur van dezelfde rechtspersoon staande scholen verminderingen plaats, dan mag het totaal der verminderingen niet het bedrag van het in de eerste volzin van dit lid bedoelde wachtgeld overschrijden. 14. Het gemeentebestuur en het bestuur van een bijzondere school kunnen overeenkomen, dat een ten behoeve van één of meer openbare scholen aangestelde vakonderwijzer tevens wordt belast met het onderwijs in hetzelfde vak aan één of meer bijzondere scholen. In dat geval wordt ten aanzien van die bijzondere scholen bij de toepassing van het derde lid het daar bedoelde produkt van het getal wekelijkse lesuren en het aantal onderwijzers verminderd met het aantal wekelijkse lesuren, gedurende welke de gemeenschappelijke vakonderwijzer aan die bijzondere scholen onderwijs geeft. De hier bedoelde overeenkomst kan worden opgezegd met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste één jaar.

Artikel 194

1. Indien de gemeenteraad hetzij voor een school der gemeente, hetzij voor een met één of meer andere gemeenten in stand gehouden school, gebruik maakt van één der in artikel 23 toegekende bevoegdheden, is hij gehouden tot toekenning van een gelijke beloning, onderscheidenlijk tegemoetkoming aan hoofden en onderwijzers, die zijn verbonden aan in de gemeente gevestigde bijzondere scholen, waarvoor aanspraak bestaat op de rijksbijdrage, en die in hetzelfde geval verkeren. 2. De raad van een gemeente, die geen openbare school in stand houdt, is bevoegd een regeling als bedoeld in artikel 23, eerste, tweede en derde lid, te treffen ten behoeve van de hoofden en onderwijzers der in de gemeente gevestigde bijzondere scholen, waarvoor aanspraak bestaat op de rijksbijdrage. Artikel 23, vierde lid, is van toepassing. 3. Maakt de gemeenteraad gebruik van de bevoegdheid, toegekend in artikel III, tweede lid, van Ons besluit van 15 juli 1957 (Stb. 248), om de daar bedoelde hoofden en onderwijzers, verbonden aan een openbare school, in het genot te doen blijven van een hogere bezoldiging dan waarop krachtens de in artikel 30, eerste lid, der Wet bedoelde algemene maatregel van bestuur aanspraak bestaat, dan is hij gehouden een overeenkomstige verhoging toe te kennen aan de hoofden en onderwijzers, die zijn verbonden aan de in de gemeente gevestigde, naar de onderscheidingen van dit besluit overeenkomstige bijzondere scholen, waarvoor aanspraak bestaat op de rijksbijdrage, en ten tijde van de inwerkingtreding van bedoeld besluit reeds in het genot waren van een verhoging van gemeentewege.

Artikel 194a

Indien in een gemeente een schoolbestuur niet langer scholen als bedoeld in artikel 173, tweede lid, in stand houdt, betaalt het de niet overeenkomstig hun bestemming bestede bedragen, die het ingevolge artikel 189 van de gemeente heeft ontvangen, binnen zes maanden na de opheffing van de laatste door dat bestuur beheerde school aan de gemeente terug.