is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 550-600, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk III

Artikel 16

In dit hoofdstuk wordt onder pensioen en berekeningsgrondslag verstaan pensioen en berekeningsgrondslag, bedoeld in hoofdstuk III van de Aanpassingsregeling pensioenen 1977-1.

Artikel 17

1. Artikel 13, eerste lid, vindt overeenkomstige toepassing op de overeenkomstig de Aanpassingsregeling pensioenen 1976, alsmede de overeenkomstig de Aanpassingsregeling pensioenen 1977-1 aangepaste berekeningsgrondslagen van de per 1 mei 1977 lopende pensioenen, tenzij het aftreden heeft plaatsgevonden na 1 april 1977. 2. De berekeningsgrondslagen van pensioenen, toe te kennen per 1 mei 1977 of later, worden na toepassing van het gestelde in de Aanpassingsregeling pensioenen 1977-1 nader aangepast overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, tenzij het aftreden heeft plaatsgevonden na 1 april 1977. 3. Een pensioen, als bedoeld in het eerste lid, wordt met ingang van 1 mei 1977 evenredig aan de verhoging, die de aangepaste berekeningsgrondslag ingevolge het eerste lid ondergaat, verhoogd, voor zoveel nodig met inachtneming van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en in hoofdstuk 16 van die wet. 4. Een pensioen, als bedoeld in het tweede lid, wordt met ingang van 1 mei 1977 of het later tijdstip, waarop het pensioen ingaat, vastgesteld aan de hand van de overeenkomstig dat lid aangepaste berekeningsgrondslag.

Artikel 18

1. Een pensioen, toegekend of toe te kennen met toepassing van de in artikel 38 van de Algemene pensioenwet politieke amtsdragers bedoelde regelen, zal na toepassing van het vorige artikel een maximum van f 34 585,- niet overschrijden. 2. Een pensioen, toegekend of toe te kennen met toepassing van de in artikel 83 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen, bedraagt met ingang van 1 mei 1977 of het later tijdstip, waarop het pensioen ingaat, f 1 541,- per lidmaatschapsjaar en zal een maximum van f 27 906,- niet overschrijden.

Hoofdstuk IV

Artikel 19

1. In dit hoofstuk wordt onder pensioen verstaan een pensioen hetwelk is toegekend dan wel mede is toegekend krachtens de Wet van 25 mei 1962 (Stb. 196). 2. In dit hoofdstuk wordt onder pensioenuitkering verstaan een pensioen vermeerderd met een aanpassingstoeslag en een maandelijkse bijzondere uitkering, als bedoeld in artikel 21, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 31 van de Aanpassingsregeling pensioenen 1976.

Artikel 20

1. Gerekend van 1 mei 1977 worden de aanpassingstoeslag en de maandelijkse bijzondere uitkering op de per die datum lopende pensioenen zodanig aangepast, dat de pensioenuitkering wordt verhoogd met 2 'l 2 %, met dien verstande, dat voor een naar de voor het verkrijgen van maximum pensioen vereiste diensttijd berekend