is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1978, no. 601-650, 01-01-1978

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overwegende ten aanzien van het verzoek om machtiging, voorzover betrekking hebbende op het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming 1970:

dat in dat artikellid onder meer is bepaald, dat de faculteitsraad de dekaan van de faculteit kiest voor ten minste drie jaren uit de gewone hoogleraren en lectoren;

dat blijkens de vorengenoemde brief van het college van bestuur wordt verzocht om machtiging voor de subfaculteit der opvoedkunde van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming 1970 te mogen afwijken, in dier voege dat de subfaculteitsraad de dekaan voor ten minste een jaar aanwijst uit bij voorkeur de hoogleraren of lectoren van de subfaculteit dan wel uit de leden van het wetenschappelijk personeel der subfaculteit in vaste dienst;

dat tegen inwilliging van het verzoek op dit punt geen bezwaar bestaat;

dat evenwel de verkiezing tot dekaan van een ander lid van het wetenschappelijk personeel in vaste dienst dan een hoogleraar of lector zoveel mogelijk uitzondering dient te blijven;

dat het in verband hiermede wenselijk is te bepalen dat zo mogelijk een der hoogleraren of lectoren tot dekaan wordt gekozen en eerst indien blijkt dat geen hunner bereid is dat ambt te bekleden, een ander lid van het wetenschappelijk personeel in vaste dienst wordt gekozen;

Gelet op artikel 55 van de Wet universitaire bestuurshervorming 1970;

Gezien het advies van de Academische Raad van 14 juli 1978, A.R.-1654;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1 Het in de brief van het college van bestuur van de gemeentelijke universiteitte Amsterdam van 5 april 1978, nr. 251317, met bijlagen, vervatte verzoek van de raad van die universiteit machtiging te verlenen om met betrekking tot de bestuursorganisatie van de subfaculteit der opvoedkunde te mogen afwijken van het bepaalde in de artikelen 9, tweede lid, en 17, derde, vierde en vijfde lid, van de Wet universitaire bestuurshervorming 1970, wordt, voor zover betrekking hebbende op artikel 9, tweede lid, geheel, en, voor zover betrekking hebbende op artikel 17, vierde lid, gedeeltelijk ingewilligd in die zin, dat de raad van de genoemde universiteit wordt gemachtigd te bepalen dat tot 1 september 1982 met betrekking tot de bestuursorganisatie van de subfaculteit der opvoedkunde in dier voege wordt afgeweken van: a. het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van die wet, dat de subfaculteitsraad de dekaan voor ten minste een jaar kiest uit het wetenschappelijk personeel in vaste dienst, met dien verstande dat zo mogelijk een der hoogleraren of lectoren wordt gekozen en eerst indien blijkt dat geen hunner bereid is dat ambt te bekleden een ander lid van het wetenschappelijk personeel in vaste dienst wordt gekozen; b. het bepaalde in artikel 17, vierde lid, van die wet, dat het bestuur van de vakgroep zijn voorzitter voor ten minste een jaar kiest uit de in vaste dienst benoemde leden van het wetenschappelijk personeel van de vakgroep, met dien verstande dat zo mogelijk een der hoogleraren of lectoren tot voorzitter wordt gekozen en eerst indien blijkt dat geen hunner bereid is het voorzitterschap te bekleden, een ander in vaste dienst benoemd lid van het wetenschappelijk personeel van de vakgroep wordt gekozen; en wordt voor het overige afgewezen.